innovatie van de publieke informatievoorziening

Alles moet anders

Er was een vergadering van een adviesraad over leesbevordering. Iemand zei: we moeten in ons advies wat weg van die nadruk op boeken. We willen nou ook weer niet terug naar de postkoets. Alom werd instemmend geknikt.

Postkoets (diligence) van Den Haag naar Rotterdam, 1813 (bron)

Het boek als postkoets. Het had ook een trekschuit kunnen zijn, of een turfschip, maar oké, de postkoets. Ik weet niet hoe het u is vergaan, maar sinds er internet is moet ik bijna ieder jaar weer verder lopen om mijn Valentijnskaart te kunnen posten. Eerst stond er een postbus op twintig meter lopen. Toen op honderdtwintig. Tegenwoordig fiets ik in steeds grotere, concentrische cirkels rond mijn woning tot ik er een tegenkom. Er schijnt een website te zijn waarmee je postbussen kunt lokaliseren. Er zal ook wel een app voor zijn.

Nu zat ik te denken: we hebben toch een deeleconomie? Kunnen we de post niet ook crowdsourcen? Dat je je foon trekt en op een app kunt intikken dat je een ansichtkaart hebt die van postcode A naar postcode B moet, en dat mensen bij jou in de buurt die morgen van A naar B forenzen die dan meenemen. Dat een slim algoritme de oplossing biedt voor trajecten als Renesse-Delfzijl. En dat je met een micropayment op een blockchain de aardige transporteurs kunt belonen voor hun goede werk. Leek me nou een schoolvoorbeeld van smart innovatie.

Het is minachting van traditie, terwijl innovatie en traditie twee kanten van dezelfde medaille zijn.

Dat zat ik natuurlijk niet echt te denken. Maar het had gekund, Nederlander als ik ben. In onze handelscultuur zit de adoratie van alles wat innovatief is nu eenmaal ingebakken, bang als we zijn om het volgende schip met goud te missen. Typisch is ook dat we daarbij alle andere schepen – die zonder goud – meteen achter ons verbranden. Turfschepen. Trekschuiten. Weg ermee. Alles moet anders!

Nu de postkantoren en pakhuizen langs de hoofdstedelijke grachten zijn omgetoverd tot broedplaatsen – pardon, incubators – voor lean and mean startups, is het misschien een idee om een beetje gas terug te nemen en ons af te vragen waarom we ons in dit land steeds weer laten foppen door de hype. Het is minachting van traditie, terwijl innovatie en traditie twee kanten van dezelfde medaille zijn. Soms pakt innovatie goed uit en heeft het positieve sociale gevolgen. In andere gevallen juist niet. Meestal is het én-én. En doen we er verstandig aan kritisch te kijken naar de balans tussen positieve en negatieve consequenties.

Zo ook met gedrukte boeken. Afgeschreven werden ze, tot bleek dat velen – ook jongeren – er de voorkeur aan geven van papier te lezen. Het lezen van teksten en verhalen kost inspanning en tijd, maar daardoor beklijft het gelezene beter dan wat je hoort of ziet. De post kan zonder postkoets, maar leren niet zonder lezen.

Deze column verscheen in Vakblad IP (Informatieprofessional), jaargang 23 nummer 2, maart 2019.

Creative Commons License
Alles moet anders is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 9 maart 2019 | Posted in columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , | 1 reactie

Het picknickkleed onder de letteren

Bron: Pedro Ribeiro Simões (Flickr, CC BY 2.0)

Gedenkwaardig dagje, 19 april. In de ochtend verschijnt in Den Haag bij de Raad voor Cultuur het advies over de letteren- en bibliothekensector. De lunch geniet ik op een zonovergoten Museumplein in Amsterdam met een Finse collega, daags ervoor vertrokken uit Tampere waar nog restjes sneeuw lagen. Later in de middag vergadert het bestuur van de Auteursbond met de balkondeuren open over de inkomenspositie van auteurs en vertalers. Even verderop beleeft Lelystad, uw toekomstige vertrekpunt voor vliegvakanties naar warmere oorden, op een halve graad na de eerste tropische dag van 2018.

Niets is heerlijker dan op een warme lentedag languit op een kleed in het gras een boek lezen. Vindt u en vind ik. Maar we behoren tot een minderheid. Over een langere periode daalt de belangstelling voor het lezen in de vrije tijd. In de wereld van boek en bibliotheek heeft men dat gegeven inmiddels gelaten geaccepteerd. De Raad voor Cultuur maakt zich zorgen. Als deze trend niet wordt gekeerd, kan het niet anders dan dat die het picknickkleed onder de letteren vandaan trekt.

‘Vraaguitval’, noemen economen het. Op zich niets ergs. Niemand is er rouwig om dat we geen lantaarnopstekers meer hebben, of kolenboeren. Erg wordt het pas als de dingen die ervoor in de plaats komen geen verbeteringen zijn. Van lezen weten we dat het allerlei positieve effecten heeft: op de woordenschat, de vaardigheid je schriftelijk uit te kunnen drukken, schoolprestaties, carrièrekansen, plus het vermogen je in te kunnen leven in een ander. Juist daarom is het zorgelijk dat de vraaguitval zich manifesteert onder jongeren en jongvolwassenen.

Hoe het kan dat er nog altijd zoveel boeken – een kleine twintigduizend per jaar in Nederland – verschijnen is een raadsel.

Minder boeken verkocht en geleend betekenen ook minder inkomsten voor de makers. En die krijgen al zo weinig. Een onderzoek heeft laten zien dat het gemiddelde auteursinkomen in 2013-14 ruim beneden modaal lag. Vertalers moeten het met nog minder doen. Hoe het kan dat er nog altijd zoveel titels – een kleine twintigduizend per jaar in Nederland – verschijnen is een raadsel. De econoom die hiervoor een sluitende verklaring vindt, heeft de Nobelprijs in de pocket.

Het is de intrinsieke motivatie, hoor je dan. Mensen schrijven boeken omdat die boeken geschreven moeten worden. Net zoals een bergbeklimmer een berg beklimt omdat die berg er is. Niettemin: hoeveel getalenteerde auteurs schrijven dat boek toch maar niet omdat er thuis monden gevoed moeten worden? Hoeveel meesterwerken, met andere woorden, loopt de natie mis doordat potentiële Libriswinnaars in de accountancy belanden?

Akkoord, Kafka en Pessoa sleten hun dagen ook op kantoor. Maar het moet toch mogelijk zijn dat je in Nederland met je creatieve brein een redelijk normaal bestaan kunt opbouwen? Kunnen we daar als samenleving niet wat extra’s in investeren? Met subsidies, of gewoon door wat vaker in de zon te gaan lezen?


Deze column verscheen in IP Vakblad voor informatieprofessionals, jaargang 22 nummer 4, mei 2018.


Creative Commons License
Het picknickkleed onder de letteren is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 10 mei 2018 | Posted in beleid, columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , | Comment

Wie niet leest is ziende blind

De bril in kwestie


Ineens was-ie daar, op mijn neus. Bijna achtenveertig jaar heb ik zonder gekund maar de laatste maanden dutte ik na een kwartiertje lezen met vermoeid hoofd in. Ik dus naar de brillensuper. Binnen luttele minuten een trits nieuwe woorden geleerd: presbyopie, dioptrie, antireflectiecoating. Mjah, nou, het is niet veel wat u nodig heeft. Plus anderhalf, plus een. Ik wil u niets aansmeren hoor.

Goed bedoeld natuurlijk van de brillenmeneer, maar niet wat je wilt horen als je je net bij het onvermijdelijke hebt neergelegd. Althans ik niet. Ik wil kunnen lezen verdomme, dus doe waarvoor je baas je hypotheek betaalt en draai me een poot uit. Aldus geschiedde.

Het toeval wilde dat ik net bezig was met een rapport over de tijdsbesteding aan lezen. Een van de bevindingen was dat de kloof tussen jongere en oudere Nederlanders sinds 2006 is gegroeid. Het percentage lezers onder tieners, twintigers en dertigers daalde stevig, terwijl het onder zestigplussers op hetzelfde hoge niveau bleef. Stel je voor, dacht ik, wat er was gebeurd als alle Hansen Anders, Eyewishes, Pearles en Specsavers zich van hun nobele kant hadden laten zien met een u-kunt-nog-wel-even-zonder. Dan was ook de grijze golf gaan Netflixen en hadden uitgevers en boekhandels helemaal kunnen inpakken.

Je weet dat je in een beschaafd land woont als de overheid blinden, slechtzienden en dyslectici voorziet van leesvoer op maat, naar keuze.

Hoewel… Er is natuurlijk ook nog zoiets als het luisterboek. En de Bibliotheekservice Passend Lezen. Je weet dat je in een beschaafd land woont als de overheid blinden, slechtzienden en dyslectici voorziet van leesvoer op maat, naar keuze in gesproken vorm, braille, grote letters, voelboekjes voor blinde kids, of als karaokeboeken. Ja, dat leest – of hoort – u goed: voor mensen met dyslexie is er een vorm waarbij een balkje de woorden doet oplichten die tegelijkertijd door de voorlezer worden uitgesproken. Over beschaving gesproken: die voorlezer is vaak een vrijwilliger met aangename stem en verzorgde dictie. Want we willen de medemens met een leesuitdaging niet afschepen met een synthetische stem met klemtoonbeperking.

En dat voor een eigen bijdrage van 28 euro per jaar, lees ik (inmiddels weer scherp) op de site van Passend Lezen. Maar Nederland zou Nederland niet zijn als we niet zouden doorschieten in onze goedheid. Na het aftikken van dat bedrag, meldt de FAQ-pagina, kun je namelijk een royale vijftien boeken, hoorspelen of hoorcolleges tegelijk streamen. Nu komen we op familiefeesten allemaal wel eens aan de simultane input van een stuk of vijf tantes bloot te staan, maar je kunt in je voorbereiding daarop ook overdrijven.

In de zeventiende eeuw slepen Descartes, Spinoza en Van Leeuwenhoek hun eigen lenzen. Wij laten onze ogen op een achternamiddag doormeten, trekken de portemonnee en hebben een week later een op maat gemaakte leesbril in huis met gratis montuur. Plus anderhalf, plus een, met cilindercorrectie. En we hebben de voorleesweelde van Passend Lezen. Wie dan nóg niet leest, is ziende blind.

Deze column verscheen in Vakblad IP (Informatieprofessional), jaargang 21 nummer 2, maart 2018.

Creative Commons License
Wie niet leest is ziende blind is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 26 februari 2018 | Posted in columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , | Comment

%d bloggers liken dit: