innovatie van de publieke informatievoorziening

Leescapitulatie

Dit wordt een ambitieus verhaal. Ik ga inzetten op intensivering van het humoristische gehalte van mijn columns. Onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat er de afgelopen jaren minder om is gelachen. Het aantal keren glimlachen, gewoon lachen, proesten en schaterlachen is nauwkeurig geturfd en blijkt te zijn gedaald. Vooral onder laagopgeleiden, maar vlak ook de middelbaar opgeleiden niet uit.

Hoe dat komt? Geen idee. Echt niet. Maar goed nieuws: ik was er al mee begonnen, met het opvoeren van het kietelen der lachspieren. Er lag al een plan van aanpak. Dus het is gewoon een kwestie van dat plan uitvoeren en inzetten op intensiveren. Schouders eronder en doorpakken. De intentie is er, reken er mij vooral op af.

Bron: VVD op GIPHY

Inmiddels ben ik al over een kwart van mijn aantal woorden. Heeft u al moeten lachen? Ja? En heeft u al meer moeten lachen dan om mijn vorige column? Niet? Ach, we snappen allemaal dat het even duurt voor het duurzaam inzetten op intensivering van de humor effect sorteert. Dus dat u meetbaar langer gaat lachen. Of vaker. Of harder. Whatever. Hoofdzaak: meer lachen!

De uitdaging waar ik voor sta is in wezen dezelfde als voor de leesbevordering. Weet u nog? Krap een jaar geleden werd bekend dat de schooljeugd steeds slechter gaat lezen. Ja duh. Ze hebben hun mobiel en hun Discord-server en hun Fortnite en hun Twitch en hun Tiktok. Natuurlijk vinden ze er geen hol aan, lezen. Maar met een coole kill of zo’n geinig filmpje, weet je wel, dat zo’n meisje in haar ondergoed staat en een hupje maakt en dan ineens een nieuwe jurk aan heeft, skills hoor, daar niet van, maar daar heb je geen ruk aan als er een deurwaardersexploot voor je neus wappert. Dus moffo en lezen, retards.

De minister van Cultuur is van Cultuur, niet van Onderwijs, en heeft maar één miljard voor de hele Cultuur. En lezen hoort in Nederland bij Cultuur. Niet bij Onderwijs.

Probleem is dat er in de school geen leesboek te vinden is. Moet je voor naar de bieb. Als die er nog is, is er een lieve vrijwilliger die je welkom heet maar niemand die je kan helpen om een leuk boek te vinden. Kort voor Prinsjesdag schreef de minister van Cultuur dat er zestig miljoen per jaar bij moet om in elke gemeente een bibliotheek te krijgen. En negentig miljoen voor een schoolbibliotheek in iedere school. Maar ze is van Cultuur en heeft maar één miljard voor de hele Cultuur.

Haar collega van Onderwijs, die heeft een dikke vijfentwintig miljard per jaar voor het basis-, voortgezet en beroepsonderwijs. Vijfentwintig, dan een komma, en wat er achter die komma staat is al bijna genoeg voor een bieb in elk dorp en elke school. Maar lezen hoort in Nederland bij Cultuur. Niet bij Onderwijs. Dus na Prinsjesdag kwam er een Bibliotheekconvenant met een miljoentje extra. En een Leesoffensief waarin wordt gestreefd naar meer samenwerking tussen Cultuur en Onderwijs. Ik kwam niet meer bij.


Deze column verscheen in Vakblad IP | Informatieprofessional, jaargang 24 nummer 8, november 2020.


Posted by Frank Huysmans on 26 november 2020 | Posted in columns, opinie, satire, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , , | Reactie

Alles moet anders

Er was een vergadering van een adviesraad over leesbevordering. Iemand zei: we moeten in ons advies wat weg van die nadruk op boeken. We willen nou ook weer niet terug naar de postkoets. Alom werd instemmend geknikt.

Postkoets (diligence) van Den Haag naar Rotterdam, 1813 (bron)

Het boek als postkoets. Het had ook een trekschuit kunnen zijn, of een turfschip, maar oké, de postkoets. Ik weet niet hoe het u is vergaan, maar sinds er internet is moet ik bijna ieder jaar weer verder lopen om mijn Valentijnskaart te kunnen posten. Eerst stond er een postbus op twintig meter lopen. Toen op honderdtwintig. Tegenwoordig fiets ik in steeds grotere, concentrische cirkels rond mijn woning tot ik er een tegenkom. Er schijnt een website te zijn waarmee je postbussen kunt lokaliseren. Er zal ook wel een app voor zijn.

Nu zat ik te denken: we hebben toch een deeleconomie? Kunnen we de post niet ook crowdsourcen? Dat je je foon trekt en op een app kunt intikken dat je een ansichtkaart hebt die van postcode A naar postcode B moet, en dat mensen bij jou in de buurt die morgen van A naar B forenzen die dan meenemen. Dat een slim algoritme de oplossing biedt voor trajecten als Renesse-Delfzijl. En dat je met een micropayment op een blockchain de aardige transporteurs kunt belonen voor hun goede werk. Leek me nou een schoolvoorbeeld van smart innovatie.

Het is minachting van traditie, terwijl innovatie en traditie twee kanten van dezelfde medaille zijn.

Dat zat ik natuurlijk niet echt te denken. Maar het had gekund, Nederlander als ik ben. In onze handelscultuur zit de adoratie van alles wat innovatief is nu eenmaal ingebakken, bang als we zijn om het volgende schip met goud te missen. Typisch is ook dat we daarbij alle andere schepen – die zonder goud – meteen achter ons verbranden. Turfschepen. Trekschuiten. Weg ermee. Alles moet anders!

Nu de postkantoren en pakhuizen langs de hoofdstedelijke grachten zijn omgetoverd tot broedplaatsen – pardon, incubators – voor lean and mean startups, is het misschien een idee om een beetje gas terug te nemen en ons af te vragen waarom we ons in dit land steeds weer laten foppen door de hype. Het is minachting van traditie, terwijl innovatie en traditie twee kanten van dezelfde medaille zijn. Soms pakt innovatie goed uit en heeft het positieve sociale gevolgen. In andere gevallen juist niet. Meestal is het én-én. En doen we er verstandig aan kritisch te kijken naar de balans tussen positieve en negatieve consequenties.

Zo ook met gedrukte boeken. Afgeschreven werden ze, tot bleek dat velen – ook jongeren – er de voorkeur aan geven van papier te lezen. Het lezen van teksten en verhalen kost inspanning en tijd, maar daardoor beklijft het gelezene beter dan wat je hoort of ziet. De post kan zonder postkoets, maar leren niet zonder lezen.

Deze column verscheen in Vakblad IP (Informatieprofessional), jaargang 23 nummer 2, maart 2019.

Posted by Frank Huysmans on 9 maart 2019 | Posted in columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , | 1 reactie

Het picknickkleed onder de letteren

Bron: Pedro Ribeiro Simões (Flickr, CC BY 2.0)

Gedenkwaardig dagje, 19 april. In de ochtend verschijnt in Den Haag bij de Raad voor Cultuur het advies over de letteren- en bibliothekensector. De lunch geniet ik op een zonovergoten Museumplein in Amsterdam met een Finse collega, daags ervoor vertrokken uit Tampere waar nog restjes sneeuw lagen. Later in de middag vergadert het bestuur van de Auteursbond met de balkondeuren open over de inkomenspositie van auteurs en vertalers. Even verderop beleeft Lelystad, uw toekomstige vertrekpunt voor vliegvakanties naar warmere oorden, op een halve graad na de eerste tropische dag van 2018.
Niets is heerlijker dan op een warme lentedag languit op een kleed in het gras een boek lezen. Vindt u en vind ik. Maar we behoren tot een minderheid. Over een langere periode daalt de belangstelling voor het lezen in de vrije tijd. In de wereld van boek en bibliotheek heeft men dat gegeven inmiddels gelaten geaccepteerd. De Raad voor Cultuur maakt zich zorgen. Als deze trend niet wordt gekeerd, kan het niet anders dan dat die het picknickkleed onder de letteren vandaan trekt. ‘Vraaguitval’, noemen economen het. Op zich niets ergs. Niemand is er rouwig om dat we geen lantaarnopstekers meer hebben, of kolenboeren. Erg wordt het pas als de dingen die ervoor in de plaats komen geen verbeteringen zijn. Van lezen weten we dat het allerlei positieve effecten heeft: op de woordenschat, de vaardigheid je schriftelijk uit te kunnen drukken, schoolprestaties, carrièrekansen, plus het vermogen je in te kunnen leven in een ander. Juist daarom is het zorgelijk dat de vraaguitval zich manifesteert onder jongeren en jongvolwassenen.
Hoe het kan dat er nog altijd zoveel boeken – een kleine twintigduizend per jaar in Nederland – verschijnen is een raadsel.
Minder boeken verkocht en geleend betekenen ook minder inkomsten voor de makers. En die krijgen al zo weinig. Een onderzoek heeft laten zien dat het gemiddelde auteursinkomen in 2013-14 ruim beneden modaal lag. Vertalers moeten het met nog minder doen. Hoe het kan dat er nog altijd zoveel titels – een kleine twintigduizend per jaar in Nederland – verschijnen is een raadsel. De econoom die hiervoor een sluitende verklaring vindt, heeft de Nobelprijs in de pocket. Het is de intrinsieke motivatie, hoor je dan. Mensen schrijven boeken omdat die boeken geschreven moeten worden. Net zoals een bergbeklimmer een berg beklimt omdat die berg er is. Niettemin: hoeveel getalenteerde auteurs schrijven dat boek toch maar niet omdat er thuis monden gevoed moeten worden? Hoeveel meesterwerken, met andere woorden, loopt de natie mis doordat potentiële Libriswinnaars in de accountancy belanden? Akkoord, Kafka en Pessoa sleten hun dagen ook op kantoor. Maar het moet toch mogelijk zijn dat je in Nederland met je creatieve brein een redelijk normaal bestaan kunt opbouwen? Kunnen we daar als samenleving niet wat extra’s in investeren? Met subsidies, of gewoon door wat vaker in de zon te gaan lezen?
Deze column verscheen in IP Vakblad voor informatieprofessionals, jaargang 22 nummer 4, mei 2018.
Creative Commons License
Het picknickkleed onder de letteren by Frank Huysmans is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 10 mei 2018 | Posted in beleid, columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , | Reactie