innovatie van de publieke informatievoorziening

Minen moet mogen

Bron: ArsTechnica.com (https://tinyurl.com/7kslxwl)

Bron: ArsTechnica.com (https://tinyurl.com/7kslxwl)

Datafabricatie. Wel eens van gehoord? Of p-hacking? Beide zijn vormen van wetenschappelijke zwendel. In het eerste geval tik je à la Diederik Stapel je data zelf in. Je doet dat net zo lang tot de analyse van die data laat zien wat je hoopte aan te tonen. Bij p-hacking gebruik je wel echte data. Je analyseert een eind weg, verwijdert ‘cases die niet zo goed in het algemene beeld passen’, net zo lang tot je iets interessants tegenkomt. Wetenschappelijke tijdschriften, zeker de meest prestigieuze, zijn namelijk dol op ‘nieuwe inzichten’. Ze publiceren niet snel onderzoek dat, in jargon, de nulhypothese ondersteunt, oftewel geen statistisch significant effect laat zien.

Gelukkig heeft de wetenschap een immuunsysteem om ziektes als deze te lijf te gaan. Om de haverklap verschijnen er thans studies die met statistische methoden op zoek gaan naar datafabricatie en p-hacking. Zulk onderzoek wordt eenvoudiger doordat grote aantallen wetenschappelijke papers digitaal beschikbaar zijn. Althans: zouden moeten zijn. Het is helaas nog niet algemeen bekend dat open access meer is dan gratis toegang alleen. Je moet ook een lokale kopie kunnen maken van grote hoeveelheden artikelen om er de relevante data uit te kunnen halen. En dat moet auteursrechtelijk zijn toegestaan.

Het is helaas nog niet algemeen bekend dat open access meer is dan gratis toegang alleen.

Publicatieplatforms als PeerJ en PLOS doen niet moeilijk. Alles verschijnt daar onder een Creative Commons-licentie (cc-by) die content mining (ook wel text and data mining, TDM) mogelijk maakt. Bovendien zetten ze op aanvraag een dump van de benodigde artikelen voor je klaar. Maar mik je op een goede afspiegeling van een wetenschappelijke discipline, dan ben je óók aangewezen op grote uitgevers die ‘hun’ copyrighted content niet zo makkelijk vrijgeven. Via een API kun je soms wel bij dat materiaal. Daarvoor moet je dan wel licentieovereenkomsten aangaan die een combinatie van data uit verschillende bronnen weer onmogelijk maken. De universiteitsbibliotheken zijn hier kritisch over en de Europese Commissie lijkt een oplossing te gaan aandragen. Brussel creëert echter nieuwe mist door dit alleen toe te staan voor onderzoeksorganisaties die ‘in het publieke belang’ werken. Wat dat zijn? Daar mogen advocaten, rechters en het Europese Hof weer jaren over gaan stoeien.

Open access heeft de wind mee. Zo is er per 1 juli een artikel in de auteurswet terecht gekomen dat het mogelijk maakt je werk binnen redelijke termijn online te zetten. Vanaf december moeten ontvangers van NWO-subsidies ervoor zorgen dat hun publicaties per direct voor iedereen beschikbaar zijn. Jammer genoeg lijkt open access tegelijkertijd te verwateren tot toegang alleen en wordt hergebruik niet genoemd. Zo schrijft de NWO-richtlijn geen licenties voor die ook content mining mogelijk maken. Navraag leert dat dit uiteindelijk wel onderdeel van het NWO-beleid zal worden.

Content mining heeft grote potentie voor de wetenschap. Om fraude op te sporen en om nieuwe vragen te beantwoorden. Maar dan moet het wel mogen.


Deze column verscheen in Vakblad IP, jaargang 19 nummer 9, 17 december 2015.


Creative Commons License
Minen moet mogen is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 21 december 2015 | Posted in beleid, columns, onderzoek, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , | Comment

Dekker en open access: intentie goed, uitwerking fout

131118_320px-Persfoto_Sander_Dekker_2013De wetenschappers van Nederland waren in de vroege ochtend van zaterdag 16 november meteen klaarwakker. Nog voor de Sint voet aan wal had gezet in Groningen lag er een cadeautje in hun schoen. Althans, daar leek het in eerste instantie op. Staatssecretaris Sander Dekker bleek vlak voor het scheiden van de wekelijkse parlementaire markt op vrijdag nog een brief naar de Tweede Kamer te hebben gestuurd waarin hij zijn beleidsvisie over open access uiteenzette.

De visie blonk uit in duidelijkheid en daadkracht:

  • de Nederlandse wetenschap moet sneller over op open access dan nu gebeurt. Binnen tien jaar moet alles in open access worden gepubliceerd, en binnen vijf jaar al 60 procent;
  • hiervoor kiest de staatssecretaris voor gold open access, en waar dat (nog) niet mogelijk blijkt, voor een hybride variant. Green speelt geen rol;
  • als de betrokken partijen – universiteiten, uitgevers en bibliotheken – er samen niet uit komen, overwegen staatssecretaris en minister een wijziging van de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW) om publiceren in open access te kunnen verplichten;
  • de staatssecretaris treedt in overleg met omringende landen die vergelijkbare doelen nastreven, om onderling af te stemmen en zo meer te bereiken. Ook dringt hij er bij de wetenschappelijke organisaties en uitgeverijen op aan om in 2014 afspraken te maken en organiseert hij begin 2014 een rondetafelconferentie met de betrokken partijen.

Vanwaar ineens deze daadkracht? In de brief signaleert Dekker terecht dat de baten van open access groot kunnen zijn. Het overgrote deel van het wetenschappelijk onderzoek vindt tegenwoordig zijn weg naar tijdschriften. Zeker in de exacte en (bio)medische wetenschappen, maar ook in de alfa- en gammawetenschappen, al zijn in die laatste gebieden de monografie (het boek) en het edited volume zeker ook nog in zwang. Toegang verkrijgen tot al die publicaties kost een hoop geld. Universiteiten en hogescholen kunnen het zich vaak nog wel veroorloven bulklicenties voor hun studenten en personeel af te sluiten met uitgevers. (Hoewel: zelfs het prestigieuze Harvard meldde vorig jaar te moeten capituleren voor de vraagprijs van grote uitgevers.) Voor het midden- en kleinbedrijf zijn de licenties veel te duur. Ook daar is behoefte aan het actualiseren van kennis om innovaties te kunnen ontwikkelen en daarmee tot grote spelers uit te kunnen groeien. En dan hebben we het nog niet over belangenverenigingen van patiënten die baat hebben bij actuele wetenschappelijke kennis. Om nog maar te zwijgen over de duizenden kleinere universiteiten en ziekenhuizen in ontwikkelingslanden. Open access creëert een gelijk speelveld voor alle spelers. Bovendien behoort het tot de kern van de wetenschappelijke ethiek dat de verworven kennis universeel toegankelijk is.

De intentie van Dekker is goed. Daarom is het zo jammer dat hij voor de verkeerde uitwerking kiest. Er zijn ten minste drie fundamentele problemen die door zijn beleidsvoornemens niet worden aangesproken, dan wel worden gecreëerd:

  1. afwijking van de gangbare definitie van open access waaraan wetenschappelijk Nederland zich heeft verbonden;
  2. de keuze voor gold en hybride open access in plaats van green;
  3. de wetenschappelijke instellingen worden bijna zeker op extra kosten gejaagd.

Beperkte definitie van open access

De definitie van ‘open access’ in de beleidsbrief is in twee opzichten te beperkt: het gaat in de brief (a) alleen maar om gratis toegang, en (b) alleen maar om de publicaties zelf. Dekker schrijft

“Open Access van wetenschappelijke publicaties staat voor de (gratis) elektronische toegang tot wetenschappelijke publicaties, artikelen en boeken.”

Daarmee benoemt hij maar de helft van de zaak. In de internationale discussie over open access (kortweg ‘OA’) wordt minstens zoveel belang gehecht aan de vrijheid voor gebruikers om met de gepubliceerde teksten te kunnen doen wat ze willen, zonder financiële, wettelijke of technologische belemmeringen. Het begrip OA omvat in de woorden van open software-voorvechter Richard Stallman ‘free as in: free beer’ maar ook ‘free as in: free speech’. Het gaat bijvoorbeeld om de mogelijkheid voor een patiëntengroep om medisch-wetenschappelijke artikelen of omvangrijke passages daaruit te kunnen hergebruiken in een reader of op hun website. OA betekent in dit verband dat zij vrij zijn om met het werk te doen wat zij goeddunken. De enige voorwaarde voor (her)gebruik is het verwijzen naar de oorspronkelijke auteur en bron.
Waar Dekkers brief op gespannen voet begint te staan met de werkelijkheid is met de bewering (op pagina 4 van de brief) dat auteurs in de gouden OA-variant de volledige auteursrechten behouden. Dat zou namelijk betekenen dat de patiëntengroep de artikelen of passages niet mag hergebruiken. Ze zou dat pas mogen na toestemming van de rechthebbenden, doorgaans de auteur(s) en de uitgever.
De werkelijkheid bij OA is anders. In de meeste OA-tijdschriften die er nu zijn – prominente namen zijn de Public Library of Science (PLoS), PeerJ en Frontiers) – neemt de auteur genoegen met een Creative Commons CC-BY-licentie. Dat houdt in dat de auteur of auteurs vrijwillig afstand doen van een flink deel van de hun op grond van het auteursrecht toekomende rechten (die overigens per rechtssysteem/land verschillend kunnen zijn), in ieder geval het recht op hergebruik. Bijvoorbeeld is bij CC-BY het publiceren in een verzamelbundel of collegereader (zelfs voor commerciële doeleinden) of het opnemen in een bibliotheeksysteem toegestaan. Ook regelt CC-BY het recht op het ‘remixen’: het veranderen van de oorspronkelijke tekst, bijvoorbeeld door deze te combineren met andere teksten of tekstfragmenten. De enige vereiste is dat wordt verwezen naar de oorspronkelijke auteurs en bronnen.

De definitie is ook te beperkt omdat het Dekker alleen maar lijkt te gaan om de publicaties zelf en niet om het achterliggende onderzoek. Recent kwam de wetenschap, en niet in het minst de Nederlandse, in opspraak vanwege een reeks fraudegevallen: Stapel, Poldermans, Bax. Als remedie brachten zowel de commissie-Levelt (Stapel) als de commissie-Baud (Bax) de mogelijkheid van het open publiceren van onderliggende databestanden ter sprake. Daarbij werd verwezen naar het standpunt van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, die in 2012 adviseerde het vrije verkeer van data en resultaten te bevorderen. Het is in de geest van de wetenschap dat onderzoeksgegevens waarop wetenschappelijke conclusies – en dus kennis – zijn gebaseerd open worden gedeeld. Dit maakt replicatie en betere metastudies mogelijk. In Dekkers brief staat in een voetnoot te lezen:

“Open Access tot ruwe data en tot publicaties zijn echter twee verschillende onderwerpen, met andere belangen. Vandaar dat Open Access tot ruwe data hier verder niet aan de orde is.”

Een merkwaardige argumentatie: dat er uiteenlopende belangen in het spel zijn, wil niet zeggen dat ‘vandaar’ er aan toegang tot data geen aandacht moet worden besteed. Een gemiste kans, net nu een toptijdschrift als Nature in zijn author’s guidelines de eis tot het publiceren van de data vóór publicatie stelt.

De keuze voor gold

Het is op z’n zachtst gezegd vreemd dat de staatssecretaris verwijst naar het Britse Finch report als motivatie voor zijn keuze voor de gouden route.

Miles Cole, http://www.timeshighereducation.co.uk/420454.article

Miles Cole, http://www.timeshighereducation.co.uk/420454.article

Het rapport is zonder twijfel als baanbrekend te kenschetsen. Toch meerderden zich kort na publicatie al snel de stemmen die de nadelen van een te snelle overgang van closed access naar gold access benoemden zonder de mogelijkheden van green te benutten. (Ik ga ervan uit dat de lezer vertrouwd is met de terminologie; hier een goed en beknopt overzicht.) Zo geeft Stuart Shieber een compacte en goede bespreking van de nadelen van de aanbevelingen van Finch. Een OA-autoriteit als Peter Suber, auteur van het voorlopige standaardwerk op dit terrein, schetst overtuigend waarom green zo’n goede optie is in de geleidelijke overgang van closed access naar volledige open access. Green laat de mogelijkheid voor auteurs om de voorlaatste versie van hun artikel in een repository op te nemen (en op hun site te publiceren). Een commissie van het Lagerhuis adviseerde de regering recent om de keuze voor gold OA te heroverwegen. Dekker schrijft:

“De uitgever [kan] de auteur beperkingen op leggen [sic] waar het gaat om de versie van een artikel in het gratis elektronische archief. Soms mag daar slechts de versie in worden opgenomen waarover geen peer review heeft plaatsgevonden”

Soms is dat inderdaad het geval, maar de meeste uitgevers staan het inmiddels toe dat auteurs de laatste auteursversie publiceren. Dit is de versie na peer review en na redactionele bewerking door de redactie en uitgever. Die versie wijkt alleen in de uiteindelijke opmaak af van de in het tijdschrift gepubliceerde versie. Inhoudelijk is het precies dezelfde bijdrage.
De brief maakt ook geen gewag van de inmiddels in de bètawetenschappen gangbare praktijk om artikelen al ruim voor publicatie in een repository op te nemen. In zeer competitieve wetenschapsgebieden is het zaak om al voor peer review en voor redactionele bewerking door het tijdschrift de resultaten gepubliceerd te hebben. Je zal immers maar een Nobelprijs mislopen omdat je artikel na goedkeuring nog twee jaar in de wachtrij voor publicatie blijft liggen. Repository’s als Arxiv en PubMedCentral bevatten veel van dergelijke prepublicaties.

Twee keer betalen

En dan is er nog het niet onbelangrijke punt van de extra kosten. Nu Nederland zo snel vooruit wil met OA is het niet denkbeeldig dat artikelen van Nederlandse onderzoekers vrij beschikbaar komen, maar andere artikelen in dezelfde tijdschriften niet. Dit is het hybride model waarover Dekker schrijft. Leuk voor de rest van de wereld, maar voor de Nederlanders betekent het niet dat zij óók vrije toegang krijgen tot de productie van buitenlandse collega’s. In die situatie moeten de Nederlandse bibliotheken nog steeds licenties op die tijdschriften afsluiten om aan de informatiebehoefte van hun staf en studenten te voldoen. Universiteiten worden dus geacht te betalen voor de gold OA van de wetenschappers in eigen dienst, én voor de licenties op de tijdschriften waarin die artikelen staan, samen met de closed access artikelen van hun buitenlandse peers. Alleen wanneer Dekker erin slaagt om voor 2024 de rest van de wereld mee te krijgen kan deze opzet slagen. In de brief dringt hij er bij de uitgevers op aan om zich bij de onderhandelingen met universiteiten te matigen:

“De inzet bij de afspraken in 2014 moet zijn dat de uitgeverijen al hun tijdschriften gaan ombouwen tot Open Access tijdschriften of bereid zijn tot het maken van afspraken over verrekening van de kosten voor publiceren met de kosten voor licenties om te voorkomen dat dubbel betaald wordt.”

http://orbilu.uni.lu/img/news/pics/green-gold.png

http://orbilu.uni.lu/img/news/pics/green-gold.png

Dat is een interessante disclaimer: ‘de inzet moet zijn’. Waar Dekker bij de universiteiten en hogescholen met de wet een stok achter de deur heeft, ontbreekt die stok bij de uitgevers. Voor hen mag het door Dekker voorgestelde beleid een fikse meevaller worden genoemd. De transitie naar gold OA wordt hun een stuk eenvoudiger gemaakt. Je kunt ook zeggen: hun ondernemersrisico wordt door de Nederlandse overheid verkleind. Immers: zij kunnen ervan uitgaan dat Nederlandse wetenschappelijke organisaties de kosten van het publiceren in gold OA gaan dragen. Tegelijkertijd kunnen ze veilig aannemen dat diezelfde organisaties licenties op hun closed access en hybride access tijdschriften zullen blijven afnemen zolang de rest van de wereld nog niet zover is.
Het is op zijn zachtst gezegd merkwaardig dat Dekker in zijn brief naar het Britse Finch-rapport verwijst, terwijl in de discussie die op dat rapport volgde de voordelen zijn belicht van green OA in de transitiefase. Wat die voordelen zijn?

  • het is een model dat in de praktijk is ontstaan en zich in die praktijk heeft bewezen. Het biedt wetenschappers en hun werkgevers de mogelijkheid om het verrichte werk via websites en repository’s breed te delen zonder dat de uitgevers de controle (het auteursrecht) op hun content kwijtraken. Het komt daarmee zowel aan de belangen van de not-for-profit wetenschap als aan die van de for-profit-uitgeverijen tegemoet;
  • het voorkomt zodoende dat wetenschappelijke instellingen voor extra kosten komen te staan in de overgangsfase zoals hierboven geschetst;
  • het laat de mogelijkheid open om in gold te publiceren. Green en gold blijken prima naast elkaar te kunnen bestaan.

Maar is het nadeel voor de uitgeverijen niet dat ze op termijn hun verdienmodel kwijtraken? Als alles immers te vinden is in repository’s is het met Google Scholar immers een koud kunstje om alle artikelen te vinden. Dat is inderdaad een risico. Het heet ‘ondernemersrisico’. De praktijk wijst uit dat de transitie langzaam genoeg gaat voor uitgevers om zich met beleid op een ander verdienmodel – gold – in te stellen. Veel universiteiten kiezen er momenteel nog voor om licenties af te sluiten, omdat zij hun staf en studenten toegang willen geven tot de ‘officiële’ versies; die waarin naar de feitelijke paginanummers, tabellen, figuren en formules kan worden verwezen. Green is vooral prettig voor partijen die zich nu toch al geen licenties kunnen veroorloven. Kortom: de overgang naar volledige OA is een proces dat zoals altijd voorlopers en volgers kent, waardoor het zich langs wegen van geleidelijkheid voltrekt. De meeste van de wetenschappelijke uitgeverijen, zeker de grote Nederlandse, zijn solide genoeg om deze overgang op eigen kracht te maken.

Conclusie: intentie goed, uitwerking fout

Staatssecretaris Sander Dekker wil vooruit met open access en dat is prijzenswaardig. Juist daarom is het onbegrijpelijk waarom hij voor deze benadering kiest.

  1. Hij perkt OA in tot een kwestie van toegang tot wetenschappelijke publicaties. Daarmee wijkt hij af van de internationale begripsvorming, waarin OA ook inhoudt het in auteursrechtelijk opzicht mogelijk maken van hergebruik (reproductie en remixen). Vrijwel de hele Nederlandse wetenschappelijke wereld heeft zich aan die begripsvorming gecommitteerd door het ondertekenen van de Berlijnse open access-verklaring. Bovendien laat hij na de voor de wetenschappelijk werk zo cruciale replicatie te regelen door middel van OA tot de onderzoeksdata – al is dit laatste vooral een kwestie van ‘jammer’;
  2. De keuze voor gold en hybride in plaats van voor green OA gaat in tegen de uitkomsten van de discussie rond het Finch-report, een rapport waarnaar Dekker nota bene verwijst om de keuze voor gold te motiveren. Het is te hopen dat de leden van de Tweede Kamer voldoende van die discussie hebben meegekregen om de staatssecretaris hierover kritisch te kunnen ondervragen bij het overleg op 4 december. Zo niet, dan kunnen zij terecht bij de genoemde publicaties van Shieber en Suber en (vooral) dat van hun Britse collega’s;
  3. De gekozen richting leidt bijna vanzelf tot een marktordening waarin het de wetenschappelijke instellingen zijn die de kosten van de overgang op OA moeten dragen, in plaats van de wetenschappelijke uitgevers. Per saldo betekent dit een extra greep uit de staatskas of, wanneer de wetenschap er niet voor wordt gecompenseerd, het vergroten van de eigen inkomsten door de wetenschappelijke instellingen (en dan kunnen we wel raden wat zij zullen moeten doen). Dit terwijl er met green een route is die deze greep uit de belastingpot kan voorkomen.

Dit alles overziend valt niet te begrijpen waarom de staatssecretaris – lid van een partij die de overheidsuitgaven wil verminderen en het vrije ondernemerschap inclusief de daaraan verbonden risico’s wil bevorderen – voor deze richting kiest. Het is eerst en vooral aan de directies van de wetenschappelijke instellingen in Nederland om hun ondertekening van de Berlijnse verklaring kracht bij te zetten. Zij kunnen open access in Nederland bevorderen door bij de Tweede Kamer krachtig op wijziging van Dekkers beleidsvoornemens aan te dringen.

Aanvullingen en correcties sinds publicatie

  • 18-11-2013: Zin toegevoegd met link naar rapport van de Business, Innovation and Skills Committee van het Britse Lagerhuis, 10 september 2013.
  • 19-11-2013: Kleine tekstuele correcties.
  • 20-11-2013: In conclusie nogmaals link naar Britse Lagerhuiscommissie toegevoegd.
  • 21-11-2013: Ter verduidelijking in laatste zin ‘deze beleidsvoornemens’ vervangen door ‘Dekkers beleidsvoornemens’.
  • 04-12-2013: Kleine tekstuele correcties.

Creative Commons-Licentie
In afwijking van de standaardlicentie op deze site is ‘Dekker en open access: intentie goed, uitwerking fout’ gepubliceerd onder een Creative Commons Naamsvermelding 3.0 Nederland-licentie.

Posted by Frank Huysmans on 18 november 2013 | Posted in beleid, onderwijs, onderzoek, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , | 4 Comments

Moedig voorwaarts op twee sporen

Bron: http://www.pottermore.com/

Bron: http://www.pottermore.com/

Het blijft een mooi verhaal, over J.K. Rowling die niet wilde dat haar nieuwste Harry Potter als e-book zou worden verkocht. Enkele piraten voelden zich daardoor uitgedaagd. Ze maakten een taakverdeling – A legt hoofdstuk 1 onder de scanner, B haalt de OCR-fouten daaruit, C scant hoofdstuk 2, en zo verder, en Z plakt tot slot alles aan elkaar – en stonden bij de start van de verkoop tussen de dreuzels te wachten tot de deur van de boekhandel om middernacht openging. De volgende ochtend, nog voor de schrijfster de eerste nip van haar koffie had kunnen nemen, stond het hele boek proefgelezen en wel gratis op het web.

Het was een wijze les voor Rowling. Of eigenlijk twee. Eén: als mensen op hun manier toegang willen tot content, krijgen ze die ook. Twee: zelfs als een Potterboek gepirateerd wordt, verkoopt het als een tierelier. Toch zijn auteurs en uitgevers nog altijd als de dood, zoals eerder de muziek- en filmbazen, dat met het aanbieden van digitale versies het downloadhek van de dam is. Het geval Rowling en de ontwikkelingen in muziek en film doen anders vermoeden. De werelden zijn flink opgeschud. De verdienmodellen zijn veranderd. Artiesten can cut out the middle men en rechtstreeks met hun fans zaken doen (Rowling verkoopt inmiddels via haar eigen Pottermore.com de Potterserie als e-book en digital audio books). Maar nog altijd hebben we wereldwijd dezelfde machtige muzieklabels en filmstudio’s als voorheen. De laatste cijfers laten bovendien zien dat de omzet in de muziekbusiness weer groeit.

Met het auteursrecht van nu hebben bibliotheken geen enkele onderhandelingskracht

Op de nieuwe tijd toegesneden distributiemodellen in de wereld van het algemene boek introduceren. Dat zouden uitgevers en boekhandelaren moeten doen. Het lijkt erop dat hun dat niet lukt (en Amazon wel). De belangen van uitgevershuizen en boekhandelaren lopen niet parallel en ook tussen grotere en kleinere spelers wringt het. Vrees voor het onbekende is de enige gemeenschappelijke factor.

In zo’n situatie transformeert de status quo in een blok beton. De Europese bibliotheeklobbyorganisatie EBLIDA liep daar onlangs tegenaan. Ze probeerde met de Federation of European Publishers (FEP) een Memorandum of Understanding te bereiken. Het uitgangspunt van EBLIDA was dat openbare bibliotheken uit alle beschikbare e-boektitels tegen redelijke voorwaarden een collectie moeten kunnen samenstellen om die aan hun gebruikers te kunnen uitlenen. Met boeken van papier en inkt gaat dat al jaren goed. Maar de uitgeversfederatie hield in Brussel de deur dicht.

Door deze ervaring wijs geworden sluit de bibliotheekkoepel nu nieuwe allianties, onder andere met consumentenplatforms. Ook acht ze eindelijk de tijd rijp om op Europees niveau actief te gaan lobbyen voor een digitale versie van het leenrecht. Verstandig, want met het auteursrecht van nu hebben bibliotheken geen onderhandelingskracht. Tot het zover is, is het even wijs om op kleine schaal modellen met individuele uitgevers uit te proberen, zoals Bibliotheek.nl en Bibnet.be nu doen. Als deze tweesporenstrategie consequent wordt gevolgd – moedig voorwaarts, op beide sporen tegelijk – lichten in 2020 in vele kinderkamers om klokslag middernacht de tablets op.

Deze column verschijnt in Informatieprofessional, jaargang 17, nummer 5, 2013

Creative Commons License
Moedig voorwaarts op twee sporen is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 30 mei 2013 | Posted in beleid, columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , | Comment

%d bloggers liken dit: