innovatie van de publieke informatievoorziening

Geen pretenties

Bron: @BerkeleyTrue (Medium), http://tinyurl.com/zlexsvv

Er is iets wat nog harder stijgt dan onze zeespiegel: de vloed aan data. Het is bijna niet meer voor te stellen, maar er is dus een tijd geweest waarin data – niet big, maar small – werden verzameld. Wetenschappers stelden een vragenlijst op. Die werd getest om evidente fouten eruit te halen. Enquêteboekjes werden gedrukt en enquêteurs gingen langs bij een duizendtal willekeurig geselecteerde personen. Ze belden aan.

Als het meezat, was de beoogde respondent thuis en genegen het onderzoek ter plekke te ondergaan. Zo niet, dan werd volgens een vaste instructie (‘sla linksaf en bij de eerste afslag opnieuw, en bel aan bij het derde huis rechts’) een ander huishouden benaderd. Aan het eind van de dag gingen de ingevulde enquêtes in een envelop naar het onderzoeksbureau, waar ze door datatypisten in de computer werden ingevoerd – aanvankelijk met ponskaarten, later rechtstreeks in een bestand.

Alle fasen in het proces werden nauwkeurig gemonitord om bijvoorbeeld fraude tegen te gaan – het was voor enquêteurs, ook maar mensen nietwaar, best verleidelijk om thuis in bed tien enquêtes in te vullen. Ook als de data eenmaal waren ingeklopt, vond er nog een strenge check plaats. Door mij bijvoorbeeld. We spreken over het jaar 1990 en mijn derde bijbaantje. Ik mocht zestig uur besteden aan het opschonen van de data uit een onderzoek met zo’n duizend respondenten. Vond ik al analyserend inconsistenties, zoals in 1800 geboren kleuters, dan dook ik in de ingevulde enquêteboekjes om het lek boven te krijgen.

Er is een race to the bottom van marktonderzoeksbureautjes die voor een prikkie een webenquête leveren.

Schreeuwend duur, dit. Internet en web hebben het een stuk goedkoper en sneller gemaakt, zoveel is zeker. Maar niet noodzakelijk beter. Er is een race to the bottom van marktonderzoeksbureautjes die voor een prikkie een webenquête leveren. En van managers en marketeers die met een persbericht over ‘een onderzoekje’ wat gratis publiciteit willen genereren.

Zou het tot marketing beperkt blijven, dan was het allemaal niet zo erg. Als de leugen ergens regeert, dan is het daar. Maar beleids- en opinieonderzoek, ter ondersteuning van de publieke zaak, raakt inmiddels ook geïnfecteerd. Steeds vaker hoor ik bij de minste kritiek op de opzet zeggen: ‘Ja, maar ons onderzoek had ook geen wetenschappelijke pretenties!’ Dat is als met een vals biljetje van 50 bij de Jumbo proberen te betalen en dan zeggen: ‘ja, maar ik heb ook nooit de pretentie gehad dat het echt was.’

De denkfout is dat het verschil tussen markt- en wetenschappelijk onderzoek gelegen zou zijn in de kwaliteit van de dataverzameling. Als er al verschil is tussen marktonderzoek en wetenschap, is die gelegen in de diepgang van de analyse. Data verzamelen is al zoveel goedkoper en sneller geworden dat we niet minder, maar meer zouden moeten investeren in de kwaliteit ervan. Net zoals bij onze dijken: in het publieke belang.


Deze column is verschenen in IP | Vakblad voor informatieprofessionals, jaargang 21 nummer 2, 9 maart 2017.


Creative Commons License
Geen pretenties is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInPin on PinterestShare on TumblrEmail this to someone

Posted by Frank Huysmans on 10 maart 2017 | Posted in columns, onderzoek, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , | Comment

Over de behoefte aan informatieprofessionals in het InterNetflixtijdperk

‘Librarian Tattoo’, Lenore Edman (CC BY 2.0)

Statistieken waar ik toevallig op stuitte bevestigen het beeld van een dramatische terugloop van het aantal gediplomeerden in hogere opleidingen in bibliotheek en archief. Wat zijn de oorzaken van deze trend? Trekt het vak gewoonweg geen jonge mensen meer aan? Of sluiten de opleidingen niet goed meer aan bij het werkveld? Een Vlaams-Nederlandse werkgroep gaat onderzoek laten doen naar de aansluiting van de opleidingen op de vraag van werkgevers.

Zit die bieb daar nu nog steeds?

Men vraagt mij weleens, gezeten in een verjaardagskring, wat ik doe. Als ik zeg dat ik mij onder andere bezighoud met onderwijs over en onderzoek naar bibliotheken, glijdt bijna altijd een glimlach over het gezicht van de vragensteller. Een glimlach die toont dat een hang naar nostalgie hem of haar niet vreemd is. ‘De bibliotheek… Toen we geen internet hadden, kwamen we er nog wel. Maar nu, met Google… Ik moet wel zeggen, mijn buurvrouw gaat nog wel, want ze houdt van lezen en dan is het wel lekker goedkoop natuurlijk. En ook als je kleine kinderen hebt, is het wel handig, zo’n bieb. Maar je komt in alle drukte en met Netflix bijna niet meer aan boeken toe hè? Dus, vroeger of later…’

Stilzwijgend gaan mijn medeverjaardagsgasten ervan uit dat ik als expert zekerder dan iedereen weet dat de bibliotheek op haar laatste benen loopt. Dat ze in een niet al te verre toekomst alleen nog als woord en begrip zal bestaan, een paar stoffige boekenmusea uitgezonderd. Al moet ik zeggen dat de frequentie van voorkomen van dit soort conversaties de laatste tijd weer wat daalt. Want die buurtbieb zit er, zichtbaar voor eenieder, nog steeds. En door het raam zie je er ook aardig wat mensen zitten, aan de leestafel. Kennelijk voorziet de bibliotheek in het InterNetflixtijdperk nog altijd in een behoefte.

Serendipi… dat dus

Een van de dingen die mensen zeggen te gaan missen als er geen bibliotheken meer zouden zijn, is ‘serendipiteit’. Het is zo’n woord waarvan de kans dat het er in één keer quasi terloops goed uitkomt omgekeerd evenredig is aan de behoefte aan intellectuele erkenning van de spreker. Serendipiteit: waar de term vandaan komt, en hoe het zijn weg heeft gevonden door de ideeëngeschiedenis, is mooi gedocumenteerd door wetenschapssociologen Robert Merton en Elinor Barber. Het is het struikelen over iets waarnaar je niet op zoek was. Je valt, krabbelt op, klopt het stof van je kleren en kijkt wat de oorzaak van de valpartij was. En je komt in aanraking met iets dat je een verfrissend en soms doorslaggevend nieuw perspectief aanreikt.

Is serendipiteit dan dé reden dat bibliotheken tot in de eeuwen der eeuwen gesubsidieerd moeten blijven?

Hoe stimuleren bibliotheken serendipiteit? Doordat je blik, zoekend naar een boek, langs vele andere titels glijdt. En bij zomaar een van die titels rinkelt er een belletje. Hee, deze titel klinkt interessant. Eens kijken op de achterflap… Hm, dit is niet echt wat ik zoek, maar voor de zekerheid neem ik het toch even mee, want wie weet.

Ik herken dat. Als promovendus in de communicatiewetenschap in Nijmegen liep ik met enige regelmaat naar de bibliotheken van maatschappijwetenschappen en filosofie. Twee bibliotheken met een compleet andere indelingssystematiek. In de eerstgenoemde werden de nieuwe aanwinsten gewoon achteraan de rij ingevoegd. Ze stonden op volgorde van signatuur. Aan die signatuur kon je zo’n beetje aflezen hoe recent het boek aangekocht was; verder niets.

In de bieb van filosofie, waar ik als sociale wetenschapper linea recta op de afdeling ‘sociale en politieke filosofie’ afstevende, was voor een thematische indeling gekozen. Op de plank waar het door mij gezochte boek stond, werd het omringd door nauwe verwanten. Dat leverde nogal eens waardevolle ontdekkingen op. Weer een week geen letter op papier, maar de reis naar de eindstreep werd er wel veel boeiender door. En ja, enkele van de toevallige vondsten stuurden die reis in een productievere richting.

Is serendipiteit dan dé reden dat bibliotheken tot in de eeuwen der eeuwen gesubsidieerd moeten blijven? Mijn ervaring in de twee bibliotheken van de universiteit in Nijmegen geeft aan dat het niet ‘de bibliotheek’ als zodanig is, maar de wijze van presenteren van de boeken. Die manier kun je digitaal nabootsen. Sterker nog, je zou digitale gebruikers de keuze kunnen geven tussen verschillende ordeningsprincipes. De bibliotheek maatschappijwetenschappen had op mijn scherm de indeling van die van filosofie kunnen krijgen. Zo zou de kans op serendipiteit flink zijn toegenomen (en de einddatum van mijn project nog verder verschoven – niettemin om goede inhoudelijke redenen).

Lees verder »

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInPin on PinterestShare on TumblrEmail this to someone

Posted by Frank Huysmans on 8 februari 2017 | Posted in beleid, geen, onderwijs, onderzoek, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , , | 37 Comments

Perziken

Bron: www.postmancard.org

De heer Sonny Perdue was vroeger gouverneur van de staat Georgia. Die staat afficheert zichzelf als de Peach State en misschien wel daarom heeft president Trump de heer Perdue gevraagd minister van land- en tuinbouw te worden. In 2007, hij was nog gouverneur, moest de Republikein Perdue de noodtoestand afkondigen vanwege de droogte die de staat teisterde. De mosselteelt werd gestaakt omdat de inwoners van Atlanta wilden kunnen douchen. De perzikenoogst viel terug van veertig- naar een schamele dertienduizend ton. Het duurde drie jaar voor de productie weer op het oude peil was.

Had u al geraden dat de heer Perdue blank, conservatief en gelovig christen is? Half november van het rampjaar kwamen de heer Perdue en een paar honderd anderen op een middag samen op de trappen van het Capitool in Atlanta om te bidden voor regen. “Het is tijd om een beroep te doen op Hem die een verschil kan en zal maken,” hield hij de aanwezigen voor. Want de heer Perdue gelooft wel in wonderen maar niet in klimaatverandering. ‘Links’ en de gevestigde media die dat wel doen, sprak hij in 2014, “hebben met hun belachelijke argumenten overduidelijk het contact met de werkelijkheid verloren”.

Je kunt het dedain voor experts en de virale verspreiding van nepnieuws ook zien als Enlightenment on steroids.

Ooit geloofden we in de kracht van de rede. De Verlichting. Privé mocht je denken en zeggen wat je wilde, maar in de openbaarheid bediende je je van redelijke argumenten. Om de verlichte burger een handje te helpen, stichtten we scholen, leeszalen, volksuniversiteiten en musea. In de twintigste eeuw deden we er met de leerplicht en het algemeen kiesrecht nog een schep bovenop. En dankzij internet en open data is het in deze eeuw voor elke burger mogelijk de beweringen van experts te controleren.

Bron: http://www.nbcnews.com/id/21767716/

Nog nooit waren kennis, informatie en data zo openbaar toegankelijk als nu. Dus waarom, zo vroeg ik me de afgelopen dagen af terwijl ik me met een naald onder de vingernagels prikte, zetten we de Verlichting bij het grofvuil? Tot ik besefte dat je het dedain voor experts en de virale verspreiding van nepnieuws ook kunt zien als overtreffende trap: the Enlightenment on steroids.

Want “Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid (…), het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder door een ander geleid te worden,” schreef de filosoof Immanuel Kant. “Sapere aude. Heb de moed je eigen verstand te gebruiken!” De heer Perdue is een moedig man.

“Movin’ to the country, gonna eat a lot of peaches,” schreeuwen The Presidents of the United States of America uit mijn laptopspeakers. Van het scherm lees ik dat 2016 het warmste jaar op aarde was sinds het begin van de waarnemingen. In Georgia was het in de herfst kurkdroog.

Deze column verschijnt in Informatieprofessional, jaargang 21 nummer 1, 2 februari 2017.


Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInPin on PinterestShare on TumblrEmail this to someone

Posted by Frank Huysmans on 27 januari 2017 | Posted in columns, opinie, satire | Tagged , , , , , | Comment