innovatie van de publieke informatievoorziening

Dezinformatsija in optima forma

Sahara, Algerije. Bron: Mehnimalik, en.wikipedia.org (cc by-sa 3.0)

“De bevolkingsgroei in Afrika zal heel groot zijn de komende jaren. Die gaat misschien wel van één naar vier miljard volgens demografische projecties.” Deze uitspraak werd gedaan door Forum voor Democratie-voorman Thierry Baudet in een recente uitzending van het zondagse discussieprogramma Buitenhof. Een leugen kun je het niet noemen, want ‘de komende jaren’ is een rekkelijk begrip. Volgens een scenario van de Verenigde Naties zou die vier miljard best eens gehaald kunnen worden. Zij het pas in het jaar 2100.

Je zou de uitspraak van Baudet daarom beter onder ‘spin’ kunnen scharen dan onder nepnieuws. Spinnen is niet liegen, maar wel sluw met de waarheid omgaan. Essentiële informatie weglaten uit je persbericht. Eén onbeduidend feitje eruit lichten en heel groot maken. Een onwelgevallig onderzoeksrapport naar de Kamer sturen op de dag voor het reces begint. ‘De komende jaren’ zeggen en daarmee de periode 2019-2100 bedoelen (als men er al naar vraagt – met een beetje mazzel kom je er mee weg).

Naast spin heb je misinformatie en desinformatie. Misinformatie is, aldus webwoordenboek Dictionary.com dat het onlangs tot ‘woord van 2018’ uitriep, ‘onware informatie die wordt verspreid ongeacht of er een bedoeling is om te misleiden.’ Desinformatie is misinformatie waarin de intentie tot misleiding er zeker wel is. Al in 1923 creëerde de KGB een afdeling met propaganda bedoeld om de publieke opinie op het verkeerde been te zetten. Volgens een bron was het Stalin zelf die het woord ‘dezinformatsija’ bedacht. Dat klonk alsof het een Franse oorsprong had, wat de Sovjets natuurlijk goed uitkwam.

Nihil novi sub sole dus, om het op z’n Baudets te zeggen? Toch wel. Je zou kunnen volhouden dat het verspreiden van desinformatie in westerse democratieën tot niet zo heel lang geleden not done was. Zeker voor politici. Bij ons moest een minister nog onlangs zijn biezen pakken vanwege één enkele leugen (een grote, dat dan weer wel, en ook nog over Rusland). Daar staat tegenover dat de president van de Verenigde Staten binnen twee jaar presidentschap meer dan vijfduizend leugens en onwaarheden heeft verkondigd.

Althans: volgens de Washington Post. Waarmee we meteen de volgende noviteit te pakken hebben: de vanzelfsprekendheid waarmee Trump en andere prominente politici kritiek van gevestigde journalistieke zijde op hun uitspraken en beleid afdoen als fake news.

Daarbovenop komt nog de dynamiek van de verspreiding van misinformatie via sociale media. Waar Facebook en Google zichzelf nog proberen voor te doen als neutrale doorgeefluiken, wordt de roep om regulering en accountability van deze platforms luider.

En wijzelf? Als zenders van informatie over ons eigen leven nemen we het ook niet zo nauw meer met de werkelijkheid. Wel foto’s delen van een gelukkig gezinnetje op het strand, maar niet van de dag na de knallende vakantieruzie. Profielfoto’s van vijf of tien jaar terug, nog zonder rimpels, grijs haar en vetrollen.

Ik krijg ineens een idee voor een goed voornemen, wat zeg ik, voorbééld, voor 2019. Doet u mee?

Deze column verscheen in Vakblad IP (Informatieprofessional), jaargang 22 nummer 9, december 2018

Creative Commons License
Dezinformatsija in optima forma is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 20 december 2018 | Posted in columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , | Comment

Welke opleidingen kun je volgen als je informatieprofessional wilt worden?

Bron: iSchool University of Washington

De Koninklijke Nederlandse Vereniging van Informatieprofessionals (KNVI) en de Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief en Documentatie (VVBAD) werken momenteel aan een inventarisatie voor het Nederlandse taalgebied. In afwachting van het resultaat alvast een overzicht van de situatie in de voltijdse en deeltijdse opleidingen in Nederland en Vlaanderen met focus op de bibliotheeksector.

Tanende belangstelling

De bibliotheeksector is een van de meest vergrijsde van Nederland. Bijna de helft van het personeel in de openbare bibliotheken is 55 jaar of ouder. Tenzij de openvallende fte’s helemaal niet meer worden opgevuld is er in de komende jaren een behoorlijke vervangingsvraag. Maar zijn er wel genoeg gekwalificeerde kandidaten? In eerdere jaargangen van IP is beschreven dat het aantal belangstellenden voor een studie in deze richting op hbo- en wo-niveau flink is gedaald. Als gevolg daarvan zijn opleidingen gestopt of samengevoegd met andere opleidingen in ICT, bedrijfskunde en management tot ‘brede’ bachelors en masters.

Ontspecialisering

Is dat erg? Het ‘ontspecialiseren’ van informatieopleidingen hoeft natuurlijk geen probleem te zijn. Uit gesprekken met bibliotheekdirecteuren uit binnen- en buitenland blijkt dat zij in veel gevallen uitdrukkelijk níet op zoek zijn naar een bibliothecaris.

Ook over tien jaar moeten er evenwichtige collecties worden samengesteld, gemetadateerd en ontsloten, om nog te zwijgen over het migreren van digital born- en gedigitaliseerde bestanden.

Een communicatiefunctie bijvoorbeeld vullen zij liever in met een marketeer of een communicatiemanager. Eenzelfde afweging wordt gemaakt voor een technische functie of een educatieve. De eigen aard (of eigenaardigheid) van de bibliotheekorganisatie leren de nieuwe medewerkers dan wel ‘werkende weg’ kennen. Of ze volgen een paar korte cursussen om meer feeling te krijgen met het vak.

De ziel van het vak

Ook voor het jonge aanstormende talent met ambitie om in de bibliotheek emplooi te vinden, kan het allesbehalve kwaad om tijdens de studie een breed perspectief op het werkveld te ontwikkelen. En competenties die een beroepsleven meegaan, in plaats van kennis die snel veroudert. Toch kun je je langzaamaan afvragen of er überhaupt nog mensen met specifiek bibliothecaire deskundigheid afstuderen. Schieten we niet door in onze vernieuwings- en verbredingsdrang? Ook over tien jaar moeten er evenwichtige collecties worden samengesteld, gemetadateerd en ontsloten, om nog te zwijgen over het migreren van digital born- en gedigitaliseerde bestanden. Ook dan moet er bemiddeld worden tussen informatievragen vanuit gebruikers, de eigen collecties (fysieke en gelicenseerde content) en wat er op het web allemaal gratis te vinden is. En niet minder belangrijk voor de professie: de geschiedenis en traditie evenals de normatieve en ethische aspecten van het bibliotheekvak moeten aan nieuwe generaties informatiewerkers worden overgedragen. Het is deze kern – de ‘ziel van het vak’ – die de herkenbaarheid van de institutie naar binnen en naar buiten waarborgt.

Samenwerking VVBAD en KNVI

Het is vanuit dit besef dat de Nederlandse en Vlaamse verenigingen voor informatieprofessionals, KNVI en VVBAD, een aantal jaar geleden met een taskforce zijn gestart om de zich ontwikkelende kloof tussen beroepsveld en opleidingen in kaart te brengen. Een eerste resultaat van deze samenwerking was een onderzoek van Bureau Kasperkovitz en Dialogic naar de behoeften aan opleidingen in het werkveld. (Zie de site van de VVBAD en het artikel erover in IP nr. 6 van de vorige jaargang.)

Momenteel werken beide organisaties aan een inventarisatie van opleidingen en cursussen in Nederland en Vlaanderen. Die is momenteel nog niet af. In het overzicht hieronder schets ik de recente ontwikkelingen in de vol- en deeltijdse opleidingen op mbo-, hbo- en wo-niveau. De vele korter durende cursussen op deze niveaus, zoals die van GO Opleidingen, en de meer specialistische zoals die voor mediacoach en community librarian blijven in dit artikel buiten beschouwing; ze komen in IP begin 2019 aan bod als de inventarisatie is voltooid.

Lees verder »

Posted by Frank Huysmans on 26 november 2018 | Posted in beleid, onderwijs, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 Comments

De analoge kloof

Digitale trapvelden, wie kent ze nog? Aan het begin van de eeuw maakten we ons zorgen over de ‘digitale kloof’. Je had mensen die computers en een internetaansluiting konden betalen en personen die dat niet konden. Digital haves en digital have-nots. En als we niet ingrepen, zouden die laatsten maatschappelijk achtergesteld raken bij de rest. Want alles werd digitaal. Daarom moesten er laag in de wijken plekken komen waar iedereen met de digitale wereld kennis kon maken.

Het is erg meegevallen, weten we met de kennis van nu. Het is gegaan als met radio en televisie. De vraag zwol aan, de prijzen gingen omlaag en ook de achterblijvers gingen overstag. Er resteerde een kleine groep weigeraars, vanuit eigen keuze (geen tijd, te plat) of de wil van God.
Maar de bezorgdheid was nog niet weg. Verschillen in bezit en toegang tot digitale apparatuur mochten dan wel bijna zijn verdwenen, maar hoe zat het met het gebruik? Want de whizzkids wisten veel meer uit de machinerie te halen dan hun oma’s en opa’s. Die hingen om de haverklap aan de lijn: ‘Jongen, ik ben het weer. Je raadt het al, dat internetding doet het weer eens niet.’ ‘Stekker eruit en erin al geprobeerd, oma?’

En daar hebben we wel iets te pakken. Toegang hebben tot data, informatie en kennis is één. Er ook slim gebruik van maken is iets anders. Verschillen in bezit mogen zijn verdwenen, een kloof in gebruik, en dus maatschappelijke kansen, krijg je minder makkelijk gedicht.

Verschillen in bezit mogen zijn verdwenen, een kloof in gebruik, en dus maatschappelijke kansen, krijg je minder makkelijk gedicht.

Het gekke is nu dat we de neiging hebben de risico’s wél te zien bij innovaties (Robots pikken onze banen in! Artificial intelligence wordt slimmer dan wij!) en veel minder bij waar we allang vertrouwd mee zijn. Wist u dat Boekstartkoffertjes vaker worden opgehaald door hoog- dan door laagopgeleide ouders? Dat de eersten ook vaker boeken lenen uit de bieb? Dat taalachterstanden gedurende het basisonderwijs eerder groter dan kleiner worden? Dat kinderen van rijkere ouders in het voortgezet onderwijs vaker bijles genieten? En dat kinderen van hoogopgeleide ouders een bijna vier keer zo grote kans hebben om op het gymnasium te belanden als even getalenteerde kinderen uit achterstandswijken?

Alle beleidsretoriek over gelijke kansen heeft niet kunnen voorkomen dat afkomst en herkomst nog altijd je toekomst bepalen. Misschien wel omdat we dachten dat gelijke toegang tot kennis, informatie en onderwijs voldoende zou zijn.
Het is het intussen nog altijd waard om tegen ongelijkheid te blijven vechten. Meer egalitaire samenlevingen scoren beter op allerlei indicatoren voor welzijn en geluk – levensverwachting, zelfmoorden, tienerzwangerschappen, gevangenen – dan landen waarin ongelijkheid troef is. Met als negatieve uitschieter de VS, dat je met De Correspondent-oprichter Rob Wijnberg een ‘steenrijk derdewereldland’ mag noemen.
Gelijke kansen schep je niet met het aanleggen van glasvezelkabels naar scholen en bibliotheken. Het vereist stug volhouden met onderwijs, cursussen, mensen. En misschien wel meer aandacht schenken aan de analoge dan aan de digitale kloof.


Deze column verscheen in Vakblad IP (Informatieprofessional), jaargang 22 nummer 8, november 2018.


Creative Commons License
De analoge kloof is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 10 november 2018 | Posted in beleid, columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , , | 1 reactie

%d bloggers liken dit: