innovatie van de publieke informatievoorziening

Iets met communicatie

Gossip, Oxford 2005
Photo by Kamyar Adl, Flickr.com (cc by 2.0)

Het nieuws dat ons gezin uit het Twentse dorp weg zou gaan verspreidde zich snel. Als hoofd der school en voorzitter van de woningbouwvereniging was mijn vader een van de dorpse notabelen. ’s Zaterdags op het voetbalveld vroeg keeper Dinand mij naar het waarom. Mijn negenjarige zelf reproduceerde naar eer en geweten wat het thuis had opgevangen. “Mijn ouders willen niet meer in een klein dorp wonen waarin over alles wat je doet wordt geroddeld.”

Wat in ons gezin ontbrak, weten we nu, was communicatiemanagement. Als mijn ouders gewoon een persbericht hadden opgesteld en met mij en mijn zus een heldere woordvoeringslijn hadden afgesproken, hadden we Twente met opgeheven hoofd kunnen verlaten. Maar er was geen communicatieplan. Geen communicatieverantwoordelijke. Interne en externe communicatie waren niet goed op elkaar afgestemd. Een in allerijl opgetuigde crisiscommunicatiecampagne, waarin werd benadrukt dat ik niet namens ons maar alleen voor mezelf had gesproken, kon de schade aan het imago van het gezin Huysmans nog enigszins repareren.

Er wordt geen woord gesproken zonder dat ‘communicatie’ het heeft bewaakt en in de huisstijl gegoten.

Een slordige tien jaar later studeerde ik communicatiewetenschap in de grote stad. Het waren de jaren dat heel veel jongeren ‘iets in de communicatie’ wilden worden. Studentenaantallen explodeerden. Attachékoffers en kokerrokjes vulden de collegezalen. Er ging carrière gemaakt worden in marketingcommunicatie en communicatiemanagement. De universitaire docenten bleven stoïcijns vertellen dat ze niet opleidden tot public relations officer en marketeer. En keken geamuseerd naar het ambitieuze grut tot hun onderwijslast zo hoog werd dat het lachen hun verging.

De hordes stroomden uit en inmiddels is er geen organisatie meer te vinden zonder een staf- of beleidsafdeling communicatie. Deze adviseert het management over de te voeren communicatiestrategie naar buiten én naar binnen. Het intranet, de website, de advertentieinkoop, de perscontacten – er wordt geen woord gesproken zonder dat ‘communicatie’ het heeft bewaakt en in de huisstijl gegoten. Omdat die afdeling er nu eenmaal is en erop wordt afgerekend.

Bedrijven moeten dat natuurlijk helemaal zelf weten. Bij publieke organisaties ligt het anders. Scholengemeenschappen, ziekenhuizen, musea, archieven, bibliotheken: ze werken met publiek geld aan de verwezenlijking van publieke doelen. Professionals met inhoudelijke kennis werken er – voor hun dagelijks brood, uiteraard – maar ook omdat ze graag iets bijdragen aan het algemeen belang. Er is weinig frustrerender voor de werklust dan het moeten leveren van input voor een persbericht waarvan de inhoud vervolgens zo vakkundig wordt versimpeld en verdraaid dat het inhoudelijk niet meer klopt. Evenals het smoren van kritische geluiden vanaf de werkvloer omdat ‘de organisatie daar last van heeft’.

Heeft een bibliotheek of een archief echt nood aan een corporate identity? Kunnen medewerkers niet gewoon hun professionele mening laten horen aan degenen die hun werk mede financieren? Wel zo duidelijk. Vonden ze in Twente destijds ook.

Deze column verscheen in Vakblad IP (Informatieprofessional), jaargang 23, nummer 4, mei 2019.

Creative Commons License
Iets met communicatie is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 17 mei 2019 | Posted in beleid, columns, geen, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , , , , | Comment

Welke opleidingen kun je volgen als je informatieprofessional wilt worden?

Bron: iSchool University of Washington

De Koninklijke Nederlandse Vereniging van Informatieprofessionals (KNVI) en de Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek, Archief en Documentatie (VVBAD) werken momenteel aan een inventarisatie voor het Nederlandse taalgebied. In afwachting van het resultaat alvast een overzicht van de situatie in de voltijdse en deeltijdse opleidingen in Nederland en Vlaanderen met focus op de bibliotheeksector.

Tanende belangstelling

De bibliotheeksector is een van de meest vergrijsde van Nederland. Bijna de helft van het personeel in de openbare bibliotheken is 55 jaar of ouder. Tenzij de openvallende fte’s helemaal niet meer worden opgevuld is er in de komende jaren een behoorlijke vervangingsvraag. Maar zijn er wel genoeg gekwalificeerde kandidaten? In eerdere jaargangen van IP is beschreven dat het aantal belangstellenden voor een studie in deze richting op hbo- en wo-niveau flink is gedaald. Als gevolg daarvan zijn opleidingen gestopt of samengevoegd met andere opleidingen in ICT, bedrijfskunde en management tot ‘brede’ bachelors en masters.

Ontspecialisering

Is dat erg? Het ‘ontspecialiseren’ van informatieopleidingen hoeft natuurlijk geen probleem te zijn. Uit gesprekken met bibliotheekdirecteuren uit binnen- en buitenland blijkt dat zij in veel gevallen uitdrukkelijk níet op zoek zijn naar een bibliothecaris.

Ook over tien jaar moeten er evenwichtige collecties worden samengesteld, gemetadateerd en ontsloten, om nog te zwijgen over het migreren van digital born- en gedigitaliseerde bestanden.

Een communicatiefunctie bijvoorbeeld vullen zij liever in met een marketeer of een communicatiemanager. Eenzelfde afweging wordt gemaakt voor een technische functie of een educatieve. De eigen aard (of eigenaardigheid) van de bibliotheekorganisatie leren de nieuwe medewerkers dan wel ‘werkende weg’ kennen. Of ze volgen een paar korte cursussen om meer feeling te krijgen met het vak.

De ziel van het vak

Ook voor het jonge aanstormende talent met ambitie om in de bibliotheek emplooi te vinden, kan het allesbehalve kwaad om tijdens de studie een breed perspectief op het werkveld te ontwikkelen. En competenties die een beroepsleven meegaan, in plaats van kennis die snel veroudert. Toch kun je je langzaamaan afvragen of er überhaupt nog mensen met specifiek bibliothecaire deskundigheid afstuderen. Schieten we niet door in onze vernieuwings- en verbredingsdrang? Ook over tien jaar moeten er evenwichtige collecties worden samengesteld, gemetadateerd en ontsloten, om nog te zwijgen over het migreren van digital born- en gedigitaliseerde bestanden. Ook dan moet er bemiddeld worden tussen informatievragen vanuit gebruikers, de eigen collecties (fysieke en gelicenseerde content) en wat er op het web allemaal gratis te vinden is. En niet minder belangrijk voor de professie: de geschiedenis en traditie evenals de normatieve en ethische aspecten van het bibliotheekvak moeten aan nieuwe generaties informatiewerkers worden overgedragen. Het is deze kern – de ‘ziel van het vak’ – die de herkenbaarheid van de institutie naar binnen en naar buiten waarborgt.

Samenwerking VVBAD en KNVI

Het is vanuit dit besef dat de Nederlandse en Vlaamse verenigingen voor informatieprofessionals, KNVI en VVBAD, een aantal jaar geleden met een taskforce zijn gestart om de zich ontwikkelende kloof tussen beroepsveld en opleidingen in kaart te brengen. Een eerste resultaat van deze samenwerking was een onderzoek van Bureau Kasperkovitz en Dialogic naar de behoeften aan opleidingen in het werkveld. (Zie de site van de VVBAD en het artikel erover in IP nr. 6 van de vorige jaargang.)

Momenteel werken beide organisaties aan een inventarisatie van opleidingen en cursussen in Nederland en Vlaanderen. Die is momenteel nog niet af. In het overzicht hieronder schets ik de recente ontwikkelingen in de vol- en deeltijdse opleidingen op mbo-, hbo- en wo-niveau. De vele korter durende cursussen op deze niveaus, zoals die van GO Opleidingen, en de meer specialistische zoals die voor mediacoach en community librarian blijven in dit artikel buiten beschouwing; ze komen in IP begin 2019 aan bod als de inventarisatie is voltooid.

Lees verder »

Posted by Frank Huysmans on 26 november 2018 | Posted in beleid, onderwijs, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 Comments

De analoge kloof

Digitale trapvelden, wie kent ze nog? Aan het begin van de eeuw maakten we ons zorgen over de ‘digitale kloof’. Je had mensen die computers en een internetaansluiting konden betalen en personen die dat niet konden. Digital haves en digital have-nots. En als we niet ingrepen, zouden die laatsten maatschappelijk achtergesteld raken bij de rest. Want alles werd digitaal. Daarom moesten er laag in de wijken plekken komen waar iedereen met de digitale wereld kennis kon maken.

Het is erg meegevallen, weten we met de kennis van nu. Het is gegaan als met radio en televisie. De vraag zwol aan, de prijzen gingen omlaag en ook de achterblijvers gingen overstag. Er resteerde een kleine groep weigeraars, vanuit eigen keuze (geen tijd, te plat) of de wil van God.
Maar de bezorgdheid was nog niet weg. Verschillen in bezit en toegang tot digitale apparatuur mochten dan wel bijna zijn verdwenen, maar hoe zat het met het gebruik? Want de whizzkids wisten veel meer uit de machinerie te halen dan hun oma’s en opa’s. Die hingen om de haverklap aan de lijn: ‘Jongen, ik ben het weer. Je raadt het al, dat internetding doet het weer eens niet.’ ‘Stekker eruit en erin al geprobeerd, oma?’

En daar hebben we wel iets te pakken. Toegang hebben tot data, informatie en kennis is één. Er ook slim gebruik van maken is iets anders. Verschillen in bezit mogen zijn verdwenen, een kloof in gebruik, en dus maatschappelijke kansen, krijg je minder makkelijk gedicht.

Verschillen in bezit mogen zijn verdwenen, een kloof in gebruik, en dus maatschappelijke kansen, krijg je minder makkelijk gedicht.

Het gekke is nu dat we de neiging hebben de risico’s wél te zien bij innovaties (Robots pikken onze banen in! Artificial intelligence wordt slimmer dan wij!) en veel minder bij waar we allang vertrouwd mee zijn. Wist u dat Boekstartkoffertjes vaker worden opgehaald door hoog- dan door laagopgeleide ouders? Dat de eersten ook vaker boeken lenen uit de bieb? Dat taalachterstanden gedurende het basisonderwijs eerder groter dan kleiner worden? Dat kinderen van rijkere ouders in het voortgezet onderwijs vaker bijles genieten? En dat kinderen van hoogopgeleide ouders een bijna vier keer zo grote kans hebben om op het gymnasium te belanden als even getalenteerde kinderen uit achterstandswijken?

Alle beleidsretoriek over gelijke kansen heeft niet kunnen voorkomen dat afkomst en herkomst nog altijd je toekomst bepalen. Misschien wel omdat we dachten dat gelijke toegang tot kennis, informatie en onderwijs voldoende zou zijn.
Het is het intussen nog altijd waard om tegen ongelijkheid te blijven vechten. Meer egalitaire samenlevingen scoren beter op allerlei indicatoren voor welzijn en geluk – levensverwachting, zelfmoorden, tienerzwangerschappen, gevangenen – dan landen waarin ongelijkheid troef is. Met als negatieve uitschieter de VS, dat je met De Correspondent-oprichter Rob Wijnberg een ‘steenrijk derdewereldland’ mag noemen.
Gelijke kansen schep je niet met het aanleggen van glasvezelkabels naar scholen en bibliotheken. Het vereist stug volhouden met onderwijs, cursussen, mensen. En misschien wel meer aandacht schenken aan de analoge dan aan de digitale kloof.


Deze column verscheen in Vakblad IP (Informatieprofessional), jaargang 22 nummer 8, november 2018.


Creative Commons License
De analoge kloof is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 10 november 2018 | Posted in beleid, columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , , | 1 reactie

%d bloggers liken dit: