innovatie van de publieke informatievoorziening

Goed voor je e-mago

Bron: http://explore.cogentoa.com/

Bron: http://explore.cogentoa.com/

Als u niet heeft meegekregen dat ‘open’ aan een opmars bezig is in onderzoek en onderwijs heeft u onder een steen geleefd (met alle respect voor de steen). Open access, open data, open educational resources, open peer review… En laat ik open (source) software niet vergeten, waar inmiddels de halve wetenschap mee schrijft en analyseert. Maar ‘open’ is een woord met vele betekenissen. Mijn editie van de Dikke van Dale uit 1984 somt er twaalf op. En dat was ruim voor het begin van het web.

Terwijl ‘open’ terrein wint, wordt aan de mate van openheid flink geknaagd. In de begindagen van de open access-beweging, op bijeenkomsten in Boedapest, Bethesda en Berlijn in 2002-2003, werd ‘open access’ nadrukkelijk gedefinieerd als méér dan alleen gratis te lezen of downloaden voor iedereen met internet. Het betekende ook dat de oorspronkelijke makers afzagen van de meeste van hun intellectuele eigendomsrechten. Men deed dit in navolging van de makers van open software. Die software wordt verstrekt met een licentie die je ‘absolutely no warranty’ geeft dat hij vrij van fouten is. Garantie tot aan de router dus. Ga je daarmee akkoord, dan mag je ermee doen wat je wilt: verspreiden, verbeteren, veranderen of vergeten.

Sommige informatieprofessionals spreken zonder blikken of blozen over open access of open data bij gratis toegang alléén.

Precies dat hadden de open access-pioniers voor ogen. Verreweg het grootste deel van de wetenschappelijke productie is tot stand gekomen met steun van belastingbetalers: boeren, burgers en bedrijven. En meebetalen is meebepalen, dus ze moeten er naar eigen goeddunken mee kunnen omgaan. De werkelijkheid benaderde tot voor kort het tegendeel. Alleen wie in het hoger onderwijs werkt of studeert, mag het lezen – mits je hogeschool of universiteit een licentie heeft afgesloten. Verspreiden, verbeteren, veranderen: het mag alleen met toestemming van de rechthebbenden. Vergelijk het met landbouwsubsidies waaraan u via de belastingen bijdraagt. U zou vreemd opkijken als alleen telers zelf hun aardappelen mochten consumeren – mits in de schil gekookt en gegeten.

Nu open wetenschap het tij mee heeft, is het noodzaak om ook de auteursrechtelijke barrières te slechten. Pas dan is de boel echt open. Maar wat zien we? Alles wat gratis is te downloaden wordt ‘open’ genoemd, zelfs al is het niet toegestaan er dingen mee te doen zonder speciale toestemming of betaling van reprorechten. Het wordt nog erger doordat sommige informatieprofessionals aan de begripsinflatie meewerken. Zij spreken zonder blikken of blozen over open access of open data bij gratis toegang alléén. Zelfs een uitgevershuis als Elsevier noemt dat laatste met opzet ‘free access’ en respecteert in de regel de betekenis van ‘open’ als gratis plus vrij van de meeste auteursrechtelijke beperkingen.

Pal staan voor de rechten van burgers in het omgaan met digitale informatie zit misschien niet in de aard van het beestje. Het is echter wel het minste wat bibliothecarissen en archivarissen zouden moeten doen. En het is bovendien goed voor hun e-mago.


Deze column verscheen in Vakblad Informatieprofessional, jaargang 20 nummer 7, 6 oktober 2016.

Posted by Frank Huysmans on 5 oktober 2016 | Posted in columns, onderwijs, onderzoek, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , | Reactie

Mediagebruik in huishoudens, vijftien jaar later

Illustratie: Yuri Shtapakov, ‘Zjizn' zametsjatel'nych ljoedej’

Illustratie: Iouri Chtapakov, ‘Zjizn’ zametsjatel’nych ljoedej’

Op 1 september 1994 trakteerde ik de vakgroep Communicatiewetenschap van de Radboud (toen nog: Katholieke) Universiteit Nijmegen op zuurtjes. Die dag ging mijn aanstelling als assistent in opleiding (AiO) in. Vier jaar lang mocht ik me gaan bezighouden met mijn promotieonderzoek tegen ongeveer de helft van mijn eerdere salaris – vandaar die zuurtjes.

Een promovendus is immers een halve student, zo redeneerden de universiteiten destijds, dus die gaan we geen volledig salaris geven. (De RUN is overigens de universiteit die zich momenteel het duidelijkst tegen de komst van beurspromovendi keert.) In ruil voor dat lage salaris hoefde je als AiO geen algemeen onderwijs te geven. Alleen onderwijs dat aansloot bij het onderwerp van je promotieonderzoek, doorgaans een keuzevak. Uiteraard kreeg ik toch het verzoek om mijn promotor te assisteren bij zijn onderwijs in het tweede jaar. Omdat ik dat de jaren ervoor, tegen een volwaardig salaris, al had verzorgd, was het voor mij geen slechte keuze daarmee akkoord te gaan.

Van 1994 tot eind 1998 werkte ik aan mijn onderzoek. Het ging, in een notendop, over de vraag of mensen zich bij de keuze om op bepaalde momenten van de dag van media – televisie, radio, muziek, kranten, tijdschriften, boeken – gebruik te maken lieten leiden door wat hun huisgenoten op die momenten deden. Ontwikkelt men gezamenlijke routines voor televisie (om acht uur samen Goede Tijden kijken), voor dagbladen (het vechten om de interessantste krantenkaternen op zaterdagochtend) enzovoort? (Internet was er in 1997, toen het veldwerk plaatsvond, als ’thuismedium’ nog nauwelijks – op de universiteit had je het geluk dat je er onbeperkt gebruik van kon maken want daar lag al een local area network.

Wel had ik aan het eind van mijn aanstelling, om Loesje te parafraseren, nog een flink stuk proefschrift over.

In feite was mijn onderzoek methodologisch van aard. Het ging er niet om die routines zelf bloot te leggen, maar om er eerst theoretisch goed grip op te krijgen en vervolgens na te gaan of je ze in beeld kon brengen met kwantitatief onderzoek. De gebruikte methode was die van het tijdsbestedingsonderzoek. Mensen kregen voor een aantal dagen een dagboekje waarin ze al hun activiteiten konden registreren. Meestal werd de methode gebruikt bij individuele personen, maar mijn idee was om hele gezinnen op dezelfde dagen een dagboekje te laten invullen. Na het verwerken van de data – handmatig inkloppen in een database – kon je dan met statistische analyse laten of huisgenoten geheel onafhankelijk lezen, luisteren en kijken, of dat er toch van gezamenlijke patronen sprake was.

Dat laatste lukte aardig, bleek uiteindelijk. Wel had ik aan het eind van mijn aanstelling, om Loesje te parafraseren, nog een flink stuk proefschrift over. Deels in de WW en deels als universitair docent, wat ik eind 1998 werd, kon ik de afrondende analyses doen en het boek ten einde schrijven. De promotie vond plaats op 25 januari 2001. In die tijd moest je nog 75 exemplaren van je boek bij de pedel afleveren. Een deel daarvan werd verzonden naar de KB, de universiteitsbibliotheken en andere ‘zusterbibliotheken’ zodat de toegankelijkheid goed was gewaarborgd.

In 2011, tien jaar na de verdediging, besloot ik dat het tijd werd om de oude Word-, Excel- en Access-bestanden te gaan redden van de vergetelheid door ze waar mogelijk te converteren naar nieuwere versies. Sowieso wilde ik zelf een digitale versie in PDF van mijn eigen proefschrift. Daarvan wilde ik dat die tekstgelijk was aan het origineel. Dat bleek nog niet zo mee te vallen. Ergens in het decennium had Microsoft zitten sleutelen aan de marges. Regeleinden en woordafbrekingen versprongen, om van de vele tabellen en figuren nog te zwijgen. Door de marges een héél klein beetje aan te passen (van 2,54 naar 2,56 centimeter; maar soms ook 2,57 of 2,53…) was het ergste leed geleden. Wat er nog aan verspringingen resteerde was met noest handwerk wel nagenoeg gelijk te krijgen aan het origineel.

Destijds kwam ik tot en met hoofdstuk 5. Iets anders eiste de aandacht op, daarna nam de drukte niet af, en het project conversie raakte weer op de achtergrond. Begin dit jaar pakte ik het in een werkluwe fase pas weer op en wist ik de rest van de klus, de hoofdstukken 6 en 7, het literatuuroverzicht, de Engelstalige samenvatting en de bijlagen met het onderzoeksinstrumentarium – te klaren.
De reden voor de plotselinge heropleving was vooral ‘praktiseer wat je predikt’. In de vakbladen Bibliotheekblad en Informatieprofessional, op deze site en op Twitter heb ik me de afgelopen jaren druk gemaakt over open access tot wetenschappelijke publicaties. Dat mijn eigen proefschrift nog altijd niet in open access beschikbaar was, vervulde me met een zekere schaamte, ook al lagen er van de papieren oplage nog altijd een kleine veertig in de kast die ik inmiddels wel gratis wilde weggeven.

Open access kon ik alleen bereiken als ik de gedigitaliseerde versie als een hernieuwde uitgave, een ’tweede druk’, zou gaan verspreiden.

Maar open access is, zoals helaas nog te weinigen weten, niet hetzelfde als je bestanden gratis ter beschikking stellen. Het houdt daarnaast in dat je afstand doet van belangrijke rechten die jou als maker volgens de Auteurswet toekomen. Zoals het recht om het eenmaal gedownloade bestand verder te mogen verspreiden zonder daarvoor toestemming te hoeven vragen. En ook het recht om delen van de tekst, of de tekst als geheel, te hergebruiken, bijvoorbeeld als hoofdstuk in een bloemlezing of in een reader voor het onderwijs. Dat, realiseerde ik me, kon ik alleen bereiken als ik de gedigitaliseerde versie als een hernieuwde uitgave, een ’tweede druk’, zou gaan verspreiden. In de oorspronkelijke versie stond namelijk een copyrightverklaring waarin ‘alle rechten voorbehouden’ werden. Dat paste niet bij de open access-plannen.

Enfin, die aanpassing was een fluitje van een cent. Inmiddels staat de tweede druk, voorzien van een aanvulling op het voorwoord én een Creative Commons CC-BY-licentie, hier, in de repository van de bibliotheek van de Radboud Universiteit en op het onderzoekersplatform ResearchGate.

Doe ermee wat je wilt. De resultaten zijn gedateerd en hadden sowieso het karakter van een pilot onder Nijmeegse huishoudens. Maar het theoretisch kader (hoofdstukken 2, 3 en 4) is nog altijd kakelvers en bruikbaar, evenals de dataverzamelings- en statistische analysemethoden. Het is met publiek geld gefinancierde wetenschap, en ondanks het aanvankelijk karige salaris is het de investering van nachten doorhalen, RSI- c.q. CANS-klachten en oververmoeidheid zeker waard geweest.

En mocht je toch een exemplaar van de eerste druk willen, ingenaaid gebonden, op heerlijk papier, met een mooie, gelamineerde kaft… neem dan even contact op.


Creative Commons License
Mediagebruik in huishoudens, vijftien jaar later by Frank Huysmans is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 12 mei 2016 | Posted in onderzoek | Tagged , , , | Reactie

Academische piraterij

Bron: http://sci-hub.io/

Bron: http://sci-hub.io/

Piraterij. Wie is er niet groot mee geworden? Ik herinner me nog de stencilmachine op de basisschool. Daar kon je naast de schoolkrant ook honderden kopieën van auteursrechtelijk beschermde teksten en illustraties mee vervaardigen. De cassettebandjes die daags na het verschijnen van de nieuwe Bowie, U2 of Prince van hand tot hand gingen. De kopieermachine in de bieb waarmee je voor een stuiver per kopie de nieuwste bladmuziek voor thuisgebruik prepareerde. De etherpiraat die het dorp ’s nachts trakteerde op softporno uit Tirol. De cd-r’s en dvd-r’s waarmee je een perfecte kopie kon maken van geleende muziek en films. En toen moesten Napster, Kazaa, LimeWire, The Pirate Bay en Popcorn Time (nu streamen in je browser!) nog komen.

Vind een techniek uit om dingen te reproduceren en je krijgt de piratengeest niet meer terug in de fles. Nauwelijks had Gutenberg zijn drukpers aan de praat of de eerste roofkopieën zagen het licht. In zijn lezenswaardige cultuurgeschiedenis Piracy laat Adrian Johns zien wat voor inventieve rovers we al eeuwen zijn. Met als toppunt het elektronicaconcern NEC, dat in zijn geheel bleek gekopieerd. Ja, dat leest u goed: van het Japanse concern bleek in China, Hongkong en Taiwan een tweede versie te bestaan. Compleet met een R&D-afdeling en werknemers die dachten dat ze voor het echte NEC werkten. Een sterker staaltje van piraterij is bijna niet voorstelbaar. Of er zou een parallelle World Intellectual Property Organization ontdekt moeten worden, merkt Johns droogjes op.

Gold open access is voor uitgevers de manier om piraterij tegen te gaan.

In de wetenschap gaat alle aandacht momenteel uit naar Sci-Hub. Gebruikers en tegenstanders zijn het eens: waar Aaron Swartz werd gesnapt in zijn poging om artikelen vrij toegankelijk te maken, is het zijn Armeens-Kazachse evenknie Alexandra Elbakyan gelukt. Zij creëerde Sci-Hub in 2011 kort nadat Swartz was gearresteerd. Op sci-hub.io kunnen artikelen uit de piratendatabase LibGen worden gehaald. Zit het artikel daar nog niet in, dan haalt Sci-Hub het meteen op bij de rechtmatige eigenaren. Hiervoor gebruikt het sleutels die sympathisanten aan Sci-Hub hebben ‘gedoneerd’. Het artikel wordt bij de aanvrager afgeleverd en een kopie ervan verdwijnt in de LibGen-database. In 2014 becijferde een Franse computerwetenschapper dat toen al 68 procent van de artikelen met een digital object identifier (DOI) van Elsevier, Springer en Wiley in de database zat. Elsevier gaf onlangs in een rechtszaak aan dat er nog steeds duizenden artikelen per dag worden geroofd.

Dit wetende komt ook de Nederlandse en EU-beleidsagenda rond open access in een ander licht te staan. Zolang uitgevers het lek niet boven krijgen, is gold open access voor hen de manier om de piraterij tegen te gaan én de inkomstenstroom op peil te houden. Want wat al gratis beschikbaar is, hoeft niet meer te worden ‘bevrijd’. Als dit vermoeden juist is, zijn de uitgevers zeker zo sluw als hun plaaggeesten.


Deze column verscheen in Vakblad IP, jaargang 20 nummer 2, 10 maart 2016.


Creative Commons License
Academische piraterij by Frank Huysmans is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 10 maart 2016 | Posted in beleid, columns, opinie, vakpublicaties | Tagged , | Reactie