innovatie van de publieke informatievoorziening

Dekker en open access: intentie goed, uitwerking fout

131118_320px-Persfoto_Sander_Dekker_2013De wetenschappers van Nederland waren in de vroege ochtend van zaterdag 16 november meteen klaarwakker. Nog voor de Sint voet aan wal had gezet in Groningen lag er een cadeautje in hun schoen. Althans, daar leek het in eerste instantie op. Staatssecretaris Sander Dekker bleek vlak voor het scheiden van de wekelijkse parlementaire markt op vrijdag nog een brief naar de Tweede Kamer te hebben gestuurd waarin hij zijn beleidsvisie over open access uiteenzette.

De visie blonk uit in duidelijkheid en daadkracht:

  • de Nederlandse wetenschap moet sneller over op open access dan nu gebeurt. Binnen tien jaar moet alles in open access worden gepubliceerd, en binnen vijf jaar al 60 procent;
  • hiervoor kiest de staatssecretaris voor gold open access, en waar dat (nog) niet mogelijk blijkt, voor een hybride variant. Green speelt geen rol;
  • als de betrokken partijen – universiteiten, uitgevers en bibliotheken – er samen niet uit komen, overwegen staatssecretaris en minister een wijziging van de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW) om publiceren in open access te kunnen verplichten;
  • de staatssecretaris treedt in overleg met omringende landen die vergelijkbare doelen nastreven, om onderling af te stemmen en zo meer te bereiken. Ook dringt hij er bij de wetenschappelijke organisaties en uitgeverijen op aan om in 2014 afspraken te maken en organiseert hij begin 2014 een rondetafelconferentie met de betrokken partijen.

Vanwaar ineens deze daadkracht? In de brief signaleert Dekker terecht dat de baten van open access groot kunnen zijn. Het overgrote deel van het wetenschappelijk onderzoek vindt tegenwoordig zijn weg naar tijdschriften. Zeker in de exacte en (bio)medische wetenschappen, maar ook in de alfa- en gammawetenschappen, al zijn in die laatste gebieden de monografie (het boek) en het edited volume zeker ook nog in zwang. Toegang verkrijgen tot al die publicaties kost een hoop geld. Universiteiten en hogescholen kunnen het zich vaak nog wel veroorloven bulklicenties voor hun studenten en personeel af te sluiten met uitgevers. (Hoewel: zelfs het prestigieuze Harvard meldde vorig jaar te moeten capituleren voor de vraagprijs van grote uitgevers.) Voor het midden- en kleinbedrijf zijn de licenties veel te duur. Ook daar is behoefte aan het actualiseren van kennis om innovaties te kunnen ontwikkelen en daarmee tot grote spelers uit te kunnen groeien. En dan hebben we het nog niet over belangenverenigingen van patiënten die baat hebben bij actuele wetenschappelijke kennis. Om nog maar te zwijgen over de duizenden kleinere universiteiten en ziekenhuizen in ontwikkelingslanden. Open access creëert een gelijk speelveld voor alle spelers. Bovendien behoort het tot de kern van de wetenschappelijke ethiek dat de verworven kennis universeel toegankelijk is.

De intentie van Dekker is goed. Daarom is het zo jammer dat hij voor de verkeerde uitwerking kiest. Er zijn ten minste drie fundamentele problemen die door zijn beleidsvoornemens niet worden aangesproken, dan wel worden gecreëerd:

  1. afwijking van de gangbare definitie van open access waaraan wetenschappelijk Nederland zich heeft verbonden;
  2. de keuze voor gold en hybride open access in plaats van green;
  3. de wetenschappelijke instellingen worden bijna zeker op extra kosten gejaagd.

Beperkte definitie van open access

De definitie van ‘open access’ in de beleidsbrief is in twee opzichten te beperkt: het gaat in de brief (a) alleen maar om gratis toegang, en (b) alleen maar om de publicaties zelf. Dekker schrijft

“Open Access van wetenschappelijke publicaties staat voor de (gratis) elektronische toegang tot wetenschappelijke publicaties, artikelen en boeken.”

Daarmee benoemt hij maar de helft van de zaak. In de internationale discussie over open access (kortweg ‘OA’) wordt minstens zoveel belang gehecht aan de vrijheid voor gebruikers om met de gepubliceerde teksten te kunnen doen wat ze willen, zonder financiële, wettelijke of technologische belemmeringen. Het begrip OA omvat in de woorden van open software-voorvechter Richard Stallman ‘free as in: free beer’ maar ook ‘free as in: free speech’. Het gaat bijvoorbeeld om de mogelijkheid voor een patiëntengroep om medisch-wetenschappelijke artikelen of omvangrijke passages daaruit te kunnen hergebruiken in een reader of op hun website. OA betekent in dit verband dat zij vrij zijn om met het werk te doen wat zij goeddunken. De enige voorwaarde voor (her)gebruik is het verwijzen naar de oorspronkelijke auteur en bron.
Waar Dekkers brief op gespannen voet begint te staan met de werkelijkheid is met de bewering (op pagina 4 van de brief) dat auteurs in de gouden OA-variant de volledige auteursrechten behouden. Dat zou namelijk betekenen dat de patiëntengroep de artikelen of passages niet mag hergebruiken. Ze zou dat pas mogen na toestemming van de rechthebbenden, doorgaans de auteur(s) en de uitgever.
De werkelijkheid bij OA is anders. In de meeste OA-tijdschriften die er nu zijn – prominente namen zijn de Public Library of Science (PLoS), PeerJ en Frontiers) – neemt de auteur genoegen met een Creative Commons CC-BY-licentie. Dat houdt in dat de auteur of auteurs vrijwillig afstand doen van een flink deel van de hun op grond van het auteursrecht toekomende rechten (die overigens per rechtssysteem/land verschillend kunnen zijn), in ieder geval het recht op hergebruik. Bijvoorbeeld is bij CC-BY het publiceren in een verzamelbundel of collegereader (zelfs voor commerciële doeleinden) of het opnemen in een bibliotheeksysteem toegestaan. Ook regelt CC-BY het recht op het ‘remixen’: het veranderen van de oorspronkelijke tekst, bijvoorbeeld door deze te combineren met andere teksten of tekstfragmenten. De enige vereiste is dat wordt verwezen naar de oorspronkelijke auteurs en bronnen.

De definitie is ook te beperkt omdat het Dekker alleen maar lijkt te gaan om de publicaties zelf en niet om het achterliggende onderzoek. Recent kwam de wetenschap, en niet in het minst de Nederlandse, in opspraak vanwege een reeks fraudegevallen: Stapel, Poldermans, Bax. Als remedie brachten zowel de commissie-Levelt (Stapel) als de commissie-Baud (Bax) de mogelijkheid van het open publiceren van onderliggende databestanden ter sprake. Daarbij werd verwezen naar het standpunt van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, die in 2012 adviseerde het vrije verkeer van data en resultaten te bevorderen. Het is in de geest van de wetenschap dat onderzoeksgegevens waarop wetenschappelijke conclusies – en dus kennis – zijn gebaseerd open worden gedeeld. Dit maakt replicatie en betere metastudies mogelijk. In Dekkers brief staat in een voetnoot te lezen:

“Open Access tot ruwe data en tot publicaties zijn echter twee verschillende onderwerpen, met andere belangen. Vandaar dat Open Access tot ruwe data hier verder niet aan de orde is.”

Een merkwaardige argumentatie: dat er uiteenlopende belangen in het spel zijn, wil niet zeggen dat ‘vandaar’ er aan toegang tot data geen aandacht moet worden besteed. Een gemiste kans, net nu een toptijdschrift als Nature in zijn author’s guidelines de eis tot het publiceren van de data vóór publicatie stelt.

De keuze voor gold

Het is op z’n zachtst gezegd vreemd dat de staatssecretaris verwijst naar het Britse Finch report als motivatie voor zijn keuze voor de gouden route.

Miles Cole, http://www.timeshighereducation.co.uk/420454.article

Miles Cole, http://www.timeshighereducation.co.uk/420454.article

Het rapport is zonder twijfel als baanbrekend te kenschetsen. Toch meerderden zich kort na publicatie al snel de stemmen die de nadelen van een te snelle overgang van closed access naar gold access benoemden zonder de mogelijkheden van green te benutten. (Ik ga ervan uit dat de lezer vertrouwd is met de terminologie; hier een goed en beknopt overzicht.) Zo geeft Stuart Shieber een compacte en goede bespreking van de nadelen van de aanbevelingen van Finch. Een OA-autoriteit als Peter Suber, auteur van het voorlopige standaardwerk op dit terrein, schetst overtuigend waarom green zo’n goede optie is in de geleidelijke overgang van closed access naar volledige open access. Green laat de mogelijkheid voor auteurs om de voorlaatste versie van hun artikel in een repository op te nemen (en op hun site te publiceren). Een commissie van het Lagerhuis adviseerde de regering recent om de keuze voor gold OA te heroverwegen. Dekker schrijft:

“De uitgever [kan] de auteur beperkingen op leggen [sic] waar het gaat om de versie van een artikel in het gratis elektronische archief. Soms mag daar slechts de versie in worden opgenomen waarover geen peer review heeft plaatsgevonden”

Soms is dat inderdaad het geval, maar de meeste uitgevers staan het inmiddels toe dat auteurs de laatste auteursversie publiceren. Dit is de versie na peer review en na redactionele bewerking door de redactie en uitgever. Die versie wijkt alleen in de uiteindelijke opmaak af van de in het tijdschrift gepubliceerde versie. Inhoudelijk is het precies dezelfde bijdrage.
De brief maakt ook geen gewag van de inmiddels in de bètawetenschappen gangbare praktijk om artikelen al ruim voor publicatie in een repository op te nemen. In zeer competitieve wetenschapsgebieden is het zaak om al voor peer review en voor redactionele bewerking door het tijdschrift de resultaten gepubliceerd te hebben. Je zal immers maar een Nobelprijs mislopen omdat je artikel na goedkeuring nog twee jaar in de wachtrij voor publicatie blijft liggen. Repository’s als Arxiv en PubMedCentral bevatten veel van dergelijke prepublicaties.

Twee keer betalen

En dan is er nog het niet onbelangrijke punt van de extra kosten. Nu Nederland zo snel vooruit wil met OA is het niet denkbeeldig dat artikelen van Nederlandse onderzoekers vrij beschikbaar komen, maar andere artikelen in dezelfde tijdschriften niet. Dit is het hybride model waarover Dekker schrijft. Leuk voor de rest van de wereld, maar voor de Nederlanders betekent het niet dat zij óók vrije toegang krijgen tot de productie van buitenlandse collega’s. In die situatie moeten de Nederlandse bibliotheken nog steeds licenties op die tijdschriften afsluiten om aan de informatiebehoefte van hun staf en studenten te voldoen. Universiteiten worden dus geacht te betalen voor de gold OA van de wetenschappers in eigen dienst, én voor de licenties op de tijdschriften waarin die artikelen staan, samen met de closed access artikelen van hun buitenlandse peers. Alleen wanneer Dekker erin slaagt om voor 2024 de rest van de wereld mee te krijgen kan deze opzet slagen. In de brief dringt hij er bij de uitgevers op aan om zich bij de onderhandelingen met universiteiten te matigen:

“De inzet bij de afspraken in 2014 moet zijn dat de uitgeverijen al hun tijdschriften gaan ombouwen tot Open Access tijdschriften of bereid zijn tot het maken van afspraken over verrekening van de kosten voor publiceren met de kosten voor licenties om te voorkomen dat dubbel betaald wordt.”

http://orbilu.uni.lu/img/news/pics/green-gold.png

http://orbilu.uni.lu/img/news/pics/green-gold.png

Dat is een interessante disclaimer: ‘de inzet moet zijn’. Waar Dekker bij de universiteiten en hogescholen met de wet een stok achter de deur heeft, ontbreekt die stok bij de uitgevers. Voor hen mag het door Dekker voorgestelde beleid een fikse meevaller worden genoemd. De transitie naar gold OA wordt hun een stuk eenvoudiger gemaakt. Je kunt ook zeggen: hun ondernemersrisico wordt door de Nederlandse overheid verkleind. Immers: zij kunnen ervan uitgaan dat Nederlandse wetenschappelijke organisaties de kosten van het publiceren in gold OA gaan dragen. Tegelijkertijd kunnen ze veilig aannemen dat diezelfde organisaties licenties op hun closed access en hybride access tijdschriften zullen blijven afnemen zolang de rest van de wereld nog niet zover is.
Het is op zijn zachtst gezegd merkwaardig dat Dekker in zijn brief naar het Britse Finch-rapport verwijst, terwijl in de discussie die op dat rapport volgde de voordelen zijn belicht van green OA in de transitiefase. Wat die voordelen zijn?

  • het is een model dat in de praktijk is ontstaan en zich in die praktijk heeft bewezen. Het biedt wetenschappers en hun werkgevers de mogelijkheid om het verrichte werk via websites en repository’s breed te delen zonder dat de uitgevers de controle (het auteursrecht) op hun content kwijtraken. Het komt daarmee zowel aan de belangen van de not-for-profit wetenschap als aan die van de for-profit-uitgeverijen tegemoet;
  • het voorkomt zodoende dat wetenschappelijke instellingen voor extra kosten komen te staan in de overgangsfase zoals hierboven geschetst;
  • het laat de mogelijkheid open om in gold te publiceren. Green en gold blijken prima naast elkaar te kunnen bestaan.

Maar is het nadeel voor de uitgeverijen niet dat ze op termijn hun verdienmodel kwijtraken? Als alles immers te vinden is in repository’s is het met Google Scholar immers een koud kunstje om alle artikelen te vinden. Dat is inderdaad een risico. Het heet ‘ondernemersrisico’. De praktijk wijst uit dat de transitie langzaam genoeg gaat voor uitgevers om zich met beleid op een ander verdienmodel – gold – in te stellen. Veel universiteiten kiezen er momenteel nog voor om licenties af te sluiten, omdat zij hun staf en studenten toegang willen geven tot de ‘officiële’ versies; die waarin naar de feitelijke paginanummers, tabellen, figuren en formules kan worden verwezen. Green is vooral prettig voor partijen die zich nu toch al geen licenties kunnen veroorloven. Kortom: de overgang naar volledige OA is een proces dat zoals altijd voorlopers en volgers kent, waardoor het zich langs wegen van geleidelijkheid voltrekt. De meeste van de wetenschappelijke uitgeverijen, zeker de grote Nederlandse, zijn solide genoeg om deze overgang op eigen kracht te maken.

Conclusie: intentie goed, uitwerking fout

Staatssecretaris Sander Dekker wil vooruit met open access en dat is prijzenswaardig. Juist daarom is het onbegrijpelijk waarom hij voor deze benadering kiest.

  1. Hij perkt OA in tot een kwestie van toegang tot wetenschappelijke publicaties. Daarmee wijkt hij af van de internationale begripsvorming, waarin OA ook inhoudt het in auteursrechtelijk opzicht mogelijk maken van hergebruik (reproductie en remixen). Vrijwel de hele Nederlandse wetenschappelijke wereld heeft zich aan die begripsvorming gecommitteerd door het ondertekenen van de Berlijnse open access-verklaring. Bovendien laat hij na de voor de wetenschappelijk werk zo cruciale replicatie te regelen door middel van OA tot de onderzoeksdata – al is dit laatste vooral een kwestie van ‘jammer’;
  2. De keuze voor gold en hybride in plaats van voor green OA gaat in tegen de uitkomsten van de discussie rond het Finch-report, een rapport waarnaar Dekker nota bene verwijst om de keuze voor gold te motiveren. Het is te hopen dat de leden van de Tweede Kamer voldoende van die discussie hebben meegekregen om de staatssecretaris hierover kritisch te kunnen ondervragen bij het overleg op 4 december. Zo niet, dan kunnen zij terecht bij de genoemde publicaties van Shieber en Suber en (vooral) dat van hun Britse collega’s;
  3. De gekozen richting leidt bijna vanzelf tot een marktordening waarin het de wetenschappelijke instellingen zijn die de kosten van de overgang op OA moeten dragen, in plaats van de wetenschappelijke uitgevers. Per saldo betekent dit een extra greep uit de staatskas of, wanneer de wetenschap er niet voor wordt gecompenseerd, het vergroten van de eigen inkomsten door de wetenschappelijke instellingen (en dan kunnen we wel raden wat zij zullen moeten doen). Dit terwijl er met green een route is die deze greep uit de belastingpot kan voorkomen.

Dit alles overziend valt niet te begrijpen waarom de staatssecretaris – lid van een partij die de overheidsuitgaven wil verminderen en het vrije ondernemerschap inclusief de daaraan verbonden risico’s wil bevorderen – voor deze richting kiest. Het is eerst en vooral aan de directies van de wetenschappelijke instellingen in Nederland om hun ondertekening van de Berlijnse verklaring kracht bij te zetten. Zij kunnen open access in Nederland bevorderen door bij de Tweede Kamer krachtig op wijziging van Dekkers beleidsvoornemens aan te dringen.

Aanvullingen en correcties sinds publicatie

  • 18-11-2013: Zin toegevoegd met link naar rapport van de Business, Innovation and Skills Committee van het Britse Lagerhuis, 10 september 2013.
  • 19-11-2013: Kleine tekstuele correcties.
  • 20-11-2013: In conclusie nogmaals link naar Britse Lagerhuiscommissie toegevoegd.
  • 21-11-2013: Ter verduidelijking in laatste zin ‘deze beleidsvoornemens’ vervangen door ‘Dekkers beleidsvoornemens’.
  • 04-12-2013: Kleine tekstuele correcties.

Creative Commons-Licentie
In afwijking van de standaardlicentie op deze site is ‘Dekker en open access: intentie goed, uitwerking fout’ gepubliceerd onder een Creative Commons Naamsvermelding 3.0 Nederland-licentie.

Posted by Frank Huysmans on 18 november 2013 | Posted in beleid, onderwijs, onderzoek, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , | 4 Comments

Ook verschenen als online resource

We moeten het eens hebben over de bibliotheekcatalogus. Gebruik je die nog? Ja? Dan werk je zeker in een bibliotheek. Nee? Ook niet gewerkt, vroeger? Tjonge. Je bent wel, hoe zal ik het zeggen, van het vasthoudende type.

Grimm-Bibliothek, Berlijn (foto: auteur)

Nee je hebt gelijk natuurlijk. Die online publiekscatalogus is een walhalla vergeleken met de kaartenbakkenhel die we daarvoor hadden. Geef ik grif toe. Ik weet nog heel goed hoe dat ging in de universiteitsbibliotheek. Drie soorten bakken, een op auteursnaam, een op eerste titelwoord (lidwoorden uitgezonderd) en een op trefwoord. Auteur, titel, jaartal en signatuur op een los velletje krabbelen. Dan naar de uitleenbalie en die gegevens nog eens een keer op een aanvraagkaart (met twee doorslagen) krabbelen, samen met je personalia. Dat herhalen voor alle gevonden titels en dan maar wachten tot de magazijnbedienden de boel bij elkaar hadden gescharreld. Met soms de teleurstelling van de kaartjes die na een half uur retour kwamen met ‘onvindbaar’ erop gepend.

En weet je nog, die tussenfase? De kaartenbakken waren al geautomatiseerd en als je een computer kon vinden die niet was vastgelopen, maakte dat het zoeken een stuk sneller. Maar de aanvraagkaarten waren still going strong. Zonder handtekening met inkt ging er geen boek de deur uit.

Nee dat digitaal aanvragen, reserveren en verlengen is zo gek nog niet. En die catalogus zelf is toch ook een verbetering. Je kunt meteen zien of het boek misschien is uitgeleend. Maar soms staat er ‘full text’ bij een zoekresultaat. Dan klik je daarop, krijg je een nieuw scherm en als je dan nog een keer doorklikt, krijg je de beloofde tekst ook op je scherm. Als je mazzel hebt. Want heb jij dat nou ook, dat dat zo’n een op de vier keer niet lukt? Dat de site van die uitgever iets zegt van dat je onvoldoende toegangsrechten hebt of zoiets? Als ik het dan gewoon google, krijg ik een link. Klikken en hoppatee. Hoe makkelijk kan het zijn.

Alsof ze bij Spa op de fles zetten: ook verkrijgbaar uit de kraan.

En dan boeken die gratis als pdf op het internet staan. Wel eens geprobeerd die in een bibliotheekcatalogus te vinden? Lachen! Krijg je eerst ‘aanwezigheidsinformatie’. Ja hoor, dat boek hebben we. Staat op etage zoveel in kast mijl op zeven. Niet even een url’etje erbij natuurlijk. Wat schreef Umberto Eco ook alweer over bibliotheken? Iets van ‘leuker kunnen we het niet maken, wel lastiger’. En dan zetten ze er nog bij: ook verschenen als online resource. Alsof ze bij Spa op de fles zetten: ook verkrijgbaar uit de kraan. Vooral dat online resource. Bibliothecaire codetaal, zodat Jan met de pet niet snapt dat-ie het dan gewoon effe moet googlen.

Nee, ze kunnen me wat met hun catalogus, daar in de bieb. Ze nemen dat ontsluiten wel heel letterlijk. Alleen openen wat gesloten is.

Deze column verscheen in InformatieProfessional, nr. 4 (2013).

Creative Commons License
Ook verschenen als online resource is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 4 mei 2013 | Posted in columns, opinie, satire, vakpublicaties | Tagged , , | Comment

Wil je internetvrijheid? Schrijf een businessplan

‘Oh, East is East, and West is West, and never the twain shall meet…’ De bekende dichtregel van Kipling zette zich in mijn hoofd vast toen ik het artikel over de digitale vrijdenkers in het laatste Bibliotheekblad uit had (Prioriteitstelling digitale bibliotheek onder vuur, door Eddy Kielema, jrg 17 nr 3, pp 20-23).

Formalistisch

In dat artikel (niet online beschikbaar bij Bibliotheekblad maar wel hier) komen enkele digitale vrijdenkers in bibliotheekland aan het woord: Joost Heessels, Esther Valent, Jeroen de Boer en Edwin Mijnsbergen. Zij plaatsen kritische noten bij huidige ontwikkeling van de landelijke digitale bibliotheek. Innovatieve ideeën voor de bibliothecaire dienstverlening ontmoeten weinig enthousiasme bij de organisaties die voor een landelijke doorbraak van die ideeën zouden kunnen zorgen: VOB, SIOB, BNL en misschien mogen we de samenwerkende PSO’s er ook bij rekenen. Niet dat de landelijke organisaties tegen innovatie zijn. Wel stellen ze zich (met uitzondering van BNL-manager Hans van Dijk) in het artikel nogal formalistisch op. De VOB stelt zich op het standpunt dat zij niets doet wat niet door haar leden in de commissies of de algemene ledenvergadering is ingebracht.

Waarom verschuilen bibliotheekorganisaties zich achter verenigingsprotocollen en business cases? Waarom pakt men de goede ideeën niet gewoon op en gaat ermee aan de slag?

Als mensen goede ideeën hebben, kunnen zij proberen bibliotheekdirecteuren voor hun plannen te winnen onder het motto: ‘het gaat niet om gelijk hebben, maar om gelijk krijgen’ (aldus VOB-woordvoerder Francien van Bohemen). Die kunnen het dan bij de branchevereniging op de agenda zetten. Lotte Sluyser, directeur van de bibliotheek Haarlem, voegt daaraan toe dat een initiatief als het weer op poten zetten van digitale vraagbeantwoording voor bibliotheken gebaat is bij een formelere aanpak. Schrijf een businessplan om directies voor je plan te winnen, adviseert Sluyser.

Groot, nieuw, overtreffend

Mij komt het voor dat de bibliotheken en hun branchevereniging zich er daarmee te makkelijk van afmaken. Om niet te zeggen dat ze de discussie liever mijden. De digitale voortrekkers proberen duidelijk te maken dat het verzeild raken in overlegstructuren en businessplannen bij innovaties juist niet productief is. Zoals Edwin Mijnsbergen het in het betreffende artikel stelt: “Als je meteen gebruikmaakt van de gratis software die overvloedig beschikbaar is en gewoon begint met een aantal mensen die willen en mogen, dan bereik je een groot deel van je doelen ook, maar dan veel sneller en goedkoper”. Zijn kritiek en ongenoegen betreffen de neiging die er bestaat in Nederland bibliotheekland om gelijk iets groots, nieuws en overtreffends te gaan maken, liefst met veel overlegpartijen en een externe opdrachtnemer (want een IT-ontwikkelproject is niet iets dat de bibliotheken zelf kunnen doen). Uitkomst van het proces is dan meestal dat het eigenaarschap weer teruggebracht moet worden naar de branche zelf, met alle moeilijkheden en weerstanden van dien.
Ik heb dezelfde ervaring als Edwin. Toen ik nog bij het SIOB werkte, heb ik meermalen het idee geopperd dat ik ook recentelijk nog eens heb gepost op 1825dagen.nl (ook een mooi voorbeeld van een verfrissend initiatief trouwens). Binnen enkele uren kwam per Twitter een bericht dat er al aan gewerkt wordt en dat er binnenkort een overleg zou plaatsvinden met, jawel, tien betrokken partijen. Sindsdien niets meer van gehoord.

Belangenjungle

Waar zijn de betrokkenheid en het lef gebleven? Waarom verschuilen bibliotheekorganisaties zich achter verenigingsprotocollen en business cases? Waarom moeten alle mogelijk geïnteresseerde partijen er vanaf moment één bij betrokken worden in een overlegplatform? Waarom pakt men de goede ideeën niet gewoon op en gaat er lean and mean mee aan de slag?
Ik kan een paar redenen bedenken. Bibliotheekdirecties hebben het te druk met bezuinigingsdiscussies en reorganisaties om nog energie over te hebben voor discussies over vernieuwingen en internetvrijheid. Goed mogelijk, maar dan zouden ze juist hun koepel ertoe moeten bewegen de dingen te doen die moeten gebeuren. Van haar kant zou de VOB ook eens actief kunnen peilen hoe de leden staan tegenover het oppikken en in de praktijk omzetten van initiatieven en innovaties.
Tweede reden: de bibliotheeksector hangt teveel van belangen aan elkaar die in vergadercircuits tegen elkaar moeten worden uitgeruild. Je nek uitsteken is in zo’n belangenjungle meestal niet de verstandigste strategie. Vragen om een kant-en-klare business case (in plaats van die te laten uitwerken in de eigen organisatie door mensen die meer ervaring en affiniteit hebben met business cases dan de innovatoren zelf – dat heet arbeidsdeling) is een veiliger route. Komt het uitgewerkte plan er wel, dan kijk je ernaar en steek je er geld in als je er iets in ziet. Slaagt het, dan ben je in de sector het mannetje of vrouwtje. Mislukt het, dan kun je altijd zeggen: vreemd en jammer, want de business case zat goed in elkaar. Komt het plan er niet, nog beter, verder geen gedoe. Ik ben bang dat dit de waarschijnlijkere verklaring is.

Binnensmonds gemompelde adhesie

Laten we wel wezen: is een business case echt nodig bij een initiatief over bijvoorbeeld informatievrijheid, of mag het ook gewoon actie zijn? Toen Jeroen de Boer en Edwin Mijnsbergen OpenBibliotheken startten, heb ik het meteen gesteund en de blauwdruk voor het manifest geschreven. Dat het in de sector tot niet meer heeft geleid dan wat binnensmonds gemompelde adhesiebetuigingen vind ik onbestaanbaar. Over de hele aardbol maken bibliothecarissen zich druk om informatie- en internetvrijheid. De IFLA maakt zich er sterk voor, de ALA en nog een behoorlijk aantal nationale bibliotheekkoepels. Ze doen dat niet alleen omdat ze het abstracte ideaal aanhangen. Ze doen het misschien nog wel meer omdat het in het belang is van bibliotheken zelf. De afgelopen jaren heb ik talloze strategienota’s en beleidsplannen voorbij zien komen (van de VOB en van bibliotheken zelf) die beginnen met het citeren van de eerste alinea’s van het IFLA/UNESCO-manifest over de openbare bibliotheek. Daarin wordt de openbare bibliotheek een schepper van ‘een essentiële voorwaarde voor levenslang leren, onafhankelijke besluitvorming en culturele ontwikkeling van individuen en maatschappelijke groeperingen’ genoemd, onder verwijzing naar het belang van ‘vrije toegang tot kennis, wetenschap, cultuur en informatie’.
Het belang van informatievrijheid onderschrijven als het de eigen organisatie goed uitkomt, maar zelf niet in actie komen als die informatievrijheid onder druk staat. Sterker: als je je werk als bibliotheek niet meer goed kunt doen omdat het auteursrecht het niet toestaat e-books uit te lenen zonder toestemming van de rechthebbenden. Ook_verschenen_alsAls je op het web vrij beschikbare pdf’s niet in je eigen catalogus kunt opnemen, omdat dat volgens de wet aan een nieuwe openbaarmaking gelijkstaat (‘ook verschenen als online resource’). Ik weet niet wat een belangenvereniging anders zou moeten doen dan meteen actie ondernemen. Zeker op een moment dat haar leden gebukt gaan onder het bezuinigen en reorganiseren. Wie weet komen dan ook, net als in het gedicht van Kipling, oost en west uiteindelijk weer nader tot elkaar.

Creative Commons License
Wil je internetvrijheid? Schrijf een businessplan is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 28 maart 2013 | Posted in beleid, opinie | Tagged , , | 8 Comments

%d bloggers liken dit: