innovatie van de publieke informatievoorziening

Voorbij het uitlenen. De openbare bibliotheek als kennisplatform

Een kwalitatief hoogstaande en breed samengestelde collectie van papieren boeken én digitale bronnen, ondergebracht in een lokaal georiënteerde fysieke vestiging en een landelijke digitale bibliotheek, die content ordent en ontsluit. In deze vorm kan de bibliotheek in 2020 een belangrijke functie in de maatschappij vervullen.

Bron: www.boekman.nl

Bron: www.boekman.nl

‘Hebben we nog openbare bibliotheken nodig?’ Dat deze vraag wordt gesteld in tijden van digitalisering van informatie en media, van e-boeken, informatie-uitwisseling, online encyclopedieën en sociale media, is niet vreemd. Reisbureaus, videotheken en cd-winkels zijn de afgelopen tien jaar goeddeels uit het straatbeeld verdwenen. Zou ‘de bieb’ niet hetzelfde lot beschoren zijn? Er is immers een dalende trend in de uitleen van boeken (en andere materialen zoals cd’s en bladmuziek). Werden er in 1993 nog 185 miljoen materialen, voor het overgrote deel boeken, geleend bij de bibliotheken, twintig jaar later zijn er daar honderd miljoen van verdampt.[1]

Vanuit een ander perspectief bevreemdt het stellen van de vraag wel. De gezamenlijke openbare bibliotheken in Nederland hebben ruim twee miljoen jeugdleden en een kleine twee miljoen volwassen leden. Leden en niet-leden weten de bibliotheek te vinden om er ter plekke te lezen, informatie in te zien en een praatje te maken. Dat doet de gemiddelde Nederlander volgens de laatste schatting zo’n vier keer per jaar.[2] Geen cijfers die duiden op een aanstaand ineenzijgen van een instituut dat zich al ruim honderd jaar staande houdt.

‘Hebben we nog openbare bibliotheken nodig?’ Dat deze vraag wordt gesteld in tijden van digitalisering van informatie en media, van e-boeken, informatie-uitwisseling, online encyclopedieën en sociale media, is niet vreemd.

De bibliotheek manifesteert zich ook op het digitale vlak met de introductie van een landelijk e-book-leenportal en een app waarop leden en niet-leden in de schoolvakanties een selectie van titels gratis konden lezen. En onlangs riep de wetgever weer eens wetgeving speciaal voor het openbare bibliotheekstelsel in het leven. Per 1 januari is de nieuwe Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) in werking getreden. In artikel 5 worden vijf kernfuncties van de openbare bibliotheek genoemd: het bieden van toegang tot (of het stimuleren van) kennis en informatie, ontwikkeling en educatie, lezen en literatuur, ontmoeting en debat, en kunst en cultuur.[3]

Boeken: middel, geen doel op zich

Deze kernfuncties stellen de centrale plaats die boeken in de openbare bibliotheek innemen al ter discussie. In Engeland en Wales en later ook elders werden public libraries opgericht met als doel volksverheffing of volksontwikkeling (Black et al. 2009). De burgerij die zich in de 18de en 19de eeuw had weten te emanciperen van de feodale en klerikale machthebbers, begon zich het lot van de onderklasse aan te trekken. Mits zij toegang kon krijgen tot informatie en kennis zou zij haar eigen lot kunnen verbeteren, zo was de liberale gedachte (Schneiders 1990). Toen ook in Nederland rond 1900 de eerste openbare bibliotheken ontstonden, waren gedrukte media – boeken, kranten en andere periodieken – de enige beschikbare fysieke informatiedragers. De latere opkomst van film, radio en televisie, geluid- en beelddragers heeft de dominantie van het boek niet aangetast.

Met de sinds de jaren tachtig waargenomen teruggang in de leestijd, vooral onder jonge generaties (De Haan en Sonck 2013: 89; Huysmans et al. 2004; Knulst en Kraaykamp 1996), is de openbare bibliotheek van karakter veranderd. In de jaren zestig en zeventig werd het stelsel van bibliotheken uitgebouwd naar het platteland en stadswijken om sociale spreiding van kennis en zelfontplooiing te stimuleren. Vanaf de jaren tachtig kwam het accent sterker te liggen op het stimuleren van het lezen zelf en de ondersteuning van leesbevordering in het basis- en voortgezet onderwijs. Scherp gesteld zou je kunnen zeggen dat het lezen veranderde van een middel tot in een doel op zich. Het uiteindelijke doel ligt mijns inziens echter in wat dat lezen teweegbrengt: dat je nieuwe dingen leert, dat je je kennis en daarmee je arbeidsmarktkansen vergroot, dat je leesplezier beleeft, dat je emotioneel wordt verrijkt, dat je je smaak voor literatuur, muziek, film, theater of wat voor cultureel genre dan ook verbreedt en verdiept. Kortom: veel en gevarieerd lezen draagt bij aan persoonlijke ontwikkeling van burgers. Om die ontwikkeling was het de voorvechters van de openbare bibliotheek in de 19de eeuw te doen.

Lees verder »

Posted by Frank Huysmans on 20 maart 2015 | Posted in beleid, essay, opinie, vakpublicaties | Tagged , , , , , , , , | Comment

De maatschappelijke waarde van de openbare bibliotheek: Meten is zweten

Zo presenteert zich de openbare bibliotheek thans als de instelling die zowel in passieve als in actieve zin voor ieder bestemd is en ieder in de gelegenheid wil stellen kennis te nemen van al hetgeen in gepubliceerde vorm ter kennisneming voor studie- en informatiedoeleinden beschikbaar is, dan wel een bijdrage levert tot ontwikkeling, vorming, ontspanning en estetische beleving.1

Dit schreef Wim de la Court, Hans van Velzens voorganger als directeur van de Openbare Bibliotheek Amsterdam, in 1970. In één zucht benoemde hij de kernfuncties van het openbaar bibliotheekwerk: informatie, ontwikkeling/vorming, ontspanning, esthetiek. 140710_Stropdas_HansvanVelzenVijfendertig jaar later werden de functies in (toen nog) eendrachtige samenwerking tussen de Vereniging van Openbare Bibliotheken en de gemeentekoepel VNG geherformuleerd en uitgebreid: kennis & informatie, ontwikkeling & educatie, kunst & cultuur, lezen & literatuur en (met stip nieuw op 5) ontmoeting & debat.

Ontspanning is onder lezen geschaard om de indruk te vermijden dat ook Thaise massage en het organiseren van puzzelritten onderdeel van de bibliothecaire dienstverlening zouden moeten zijn. De vijf kernfuncties staan in het wetsvoorstel Wet Stelsel Openbare Bibliotheekvoorzieningen dat onlangs de Tweede Kamer passeerde (130 stemmen voor, 20 tegen) en dit najaar in de Eerste Kamer ter stemming zal worden gebracht.

Kernfuncties

Een opsomming van kernfuncties is geen vrijblijvendheid. Wellicht was het ten tijde van De la Court vooral bedoeld als richtsnoer voor de enorme uitbouw van het stelsel van openbare bibliotheken die er aan zat te komen. De Wet op het Openbaar Bibliotheekwerk die van 1975 tot 1987 van kracht zou zijn, betekende een krachtige impuls voor deze ‘educatieve, informatieve en sociaal-culturele voorzieningen’. Toen in de decennia daarna de afrekencultuur van het new public management de bestuurders(boven)kamers binnentrad, werden de kernfuncties tot maatstaven.
Meteen na zijn aantreden als directeur van de OBA in 1988 kreeg Hans van Velzen hier indirect mee te maken. De Raad van Advies voor Bibliotheekwezen en Informatieverzorging (RABIN) liet uitzoeken hoe vraag en aanbod in de bibliotheek zich tot elkaar verhielden. Dit geschiedde aan de hand van de uitgaven aan de vier functies recreatie, educatie, informatie en cultuur.2
De OBA had het geluk dat het moeten toerekenen van uitgaven aan functies aan haar voorbij ging (de buren in Abcoude waren minder fortuinlijk). De conclusie luidde destijds dat de uitgaven van de onderzochte bibliotheken in lijn waren met wat gebruikers van de bibliotheek wensten en verwachtten.

Meten maatschappelijke waarde: outputs en outcomes

Dit onderzoek is achteraf gezien de opmaat geweest voor meer studies die poogden de maatschappelijke waarde van de openbare bibliotheken in kaart te brengen. Wordt ons belastinggeld wel goed besteed? Is er, zoals de Amerikanen het prozaïsch uitdrukken, wel voldoende bang for the buck?
Toen ik in 2005 aantrad als bijzonder hoogleraar bibliotheekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam merkte ik al snel dat dit vraagstuk een van de prangendste was waar men in de sector een antwoord op zocht. Ik realiseerde me ook dat het bepaald geen eenvoudige klus was om dit met de degelijkheid die van de wetenschap wordt verwacht vast te stellen. Natuurlijk waren er de landelijke statistieken, maar die belichtten wel de outputs doch nauwelijks de outcomes van het openbaar bibliotheekwerk.

De outputs van de bibliotheek zijn goed te tellen: aangeschafte materialen, uitleningen, bezoeken, informatievragen. Maar om de outcomes is het beleidsmakers en bestuurders eigenlijk te doen: wat die uitleningen en bezoeken nu feitelijk voor verschil maken voor individu en samenleving. Nemen kennis, vermaak, sociale verbondenheid en culturele vorming merkbaar toe dankzij de diensten van de openbare bibliotheken? In mijn inaugurele rede stelde ik daarom voor met de branche te gaan werken aan prestatie-indicatoren die van outputs naar outcomes zouden evolueren.3 In de vakliteratuur werd die overgang namelijk wel genoemd als de volgende te zetten stap. In de praktijk kwam er van die stap nog niet heel veel terecht. Begrijpelijk, want het in cijfers vangen van Verlichtingsidealen als ‘cognitieve ontwikkeling’, ‘oordeelsvermogen’, ‘wederzijds begrip’ en ‘culturele competentie’ is geen sinecure. Zulks meten is zweten.

Bibliotheekstatistieken en standaarden

De ontwikkeling van internationale standaarden voor bibliotheekstatistieken biedt een goede illustratie van de af te leggen route. Veertig jaar geleden zag de eerste ISO-standaard voor bibliotheekstatistieken, nummer 2789, het licht. Die standaard was feitelijk niet meer dan een oproep aan bibliothecarissen om de eenvoudig te tellen aspecten van het bibliotheekwerk (collecties, personeel, uitleningen en dergelijke) op dezelfde manier te tellen. Alleen dan had het vergelijken van cijfers – benchmarking – zin.
Vervolgens duurde het een kwart eeuw tot in 1998 een nieuwe standaard het levenslicht zag. Het betrof nummer 11620, die de nog weinig zeggende tellingen uit de eerdere standaard aanvulde met prestatie-indicatoren.4 Dat waren maten waar het bibliotheekmanagement de eigen interne processen mee kon verbeteren.

Nadat die laatste ISO-standaard tien jaar later in een fris jasje was gestoken, kon het werk beginnen aan een nieuwe. Deze ISO 16439 is getiteld Methoden en procedures voor het vaststellen van de impact van bibliotheken. De stap die hiermee moet worden gezet is die van bibliotheekinterne kwaliteitsmaatstaven naar het zichtbaar maken van de maatschappelijke relevantie van bibliotheken.
De weerbarstigheid van deze materie moge blijken uit het gegeven dat na enkele jaren werk de commissie niet veel verder is gekomen dan het ondankbare maar o zo noodzakelijke voorwerk. De eerste taak: het scheppen van begripsmatige helderheid omtrent bijna-synoniemen als impact, value, benefit en outcome, en het inventariseren van mogelijke methoden waarmee deze gemeten kunnen worden.5 Aan het moeilijkste werk, het afbakenen van wat er moet worden gemeten en hoe, en dat voor verschillende typen bibliotheken, moet eigenlijk nog geschieden, want de ISO-standaard gaat er niet op in.

Opbrengsten en kwaliteitsmeting

Terwijl wetenschappers en statistici zich buigen over definities en meetprotocollen staat de wereld niet stil. De recessie die volgde op de geklapte hypothekenzeepbel had ingrijpende gevolgen voor de bibliotheeksubsidies. Onder druk van dreigende subsidiekortingen werd de roep om instrumenten die de toegevoegde waarde van de openbare bibliotheek konden aantonen luider. Geen klimaat waarin je als onderzoeker gemoedelijk kunt doorwerken aan je meetinstrumentarium. De afgelopen jaren lieten een ware wildgroei zien aan pogingen om de bang for the buck te kwantificeren:

  • Return On Investment-studies (ROI). Deze proberen de waarde van een maatschappelijke voorziening in geld uit te drukken. Die waarde leidt men af uit wat mensen bereid zouden zijn ervoor te betalen, uit wat het zou kosten om dezelfde diensten op de vrije markt in te kopen, en het indirecte economische rendement (de restaurants La Place en Va Piano in de OBA profiteren van de aanloop). Deze studies komen grosso modo uit op een ratio van rond de 1 op 4: voor elke in bibliotheken geïnvesteerde euro krijgt de samenleving er rond de vier terug in termen van maatschappelijk rendement.6
  • De Social Return On Investment-benadering (SROI). Deze wijkt enigszins af van de ROI-benadering doordat ze de opbrengsten niet alleen in geld uitdrukt, maar deze definieert in samenspraak met stakeholders en financiers. Samen worden doelen vastgesteld (‘10% meer uitleningen dan vorig jaar’, ‘lidmaatschapspercentage onder bijstandsgerechtigden stijgt jaarlijks met 5%’) die richting geven aan het beleid in de nabije toekomst en zo de beoogde outcomes van de bibliotheek dichterbij brengen.
  • Quality and performance assessment. Op het web zijn diverse aanbieders te vinden van webgebaseerde, gestandaardiseerde meetinstrumenten voor prestatiemeting en klanttevredenheid, zoals het Amerikaanse LibQual en het Canadese Counting Opinions. De IFLA Metropolitan Libraries Section, waarvan de OBA lid is, maakt gebruik van de diensten van laatstgenoemd bedrijf.
  • Benchmarking. Het kunnen vergelijken van de eigen prestaties met die van anderen is een middel om de eigen sterke en zwakke punten te kunnen identificeren. De jaarlijkse BIS-meting van de openbare bibliotheken heeft een tijd lang als benchmarkinstrument gefunctioneerd. Het wachten is nu op het landelijke datawarehouse, dat diezelfde functie zal kunnen vervullen zodra de gegevens op een vergelijkbare wijze door de bibliotheken zijn aangeleverd. Goed voorbeeld is Duitsland met de Bibliotheksinformationsindex BIX. Bibliotheken kunnen zelf beslissen of zij zich aan de vergelijking met anderen willen blootstellen of niet.7

Minder direct gericht op de maatschappelijke waarde, maar zeker verwant, is de certificering door de Stichting Certificering Openbare Bibliotheken, die een op het INK-managementmodel gebaseerde checklist hanteert voor de interne organisatie en de externe resultaten.8 Het behalen van de certificering geldt binnen de branche en naar de subsidiegever toe als een kwaliteitskeurmerk.

Waar we staan

Aan pogingen om de kwaliteit, de performance en de maatschappelijke waarde van de bibliotheek te meten is anno 2014 bepaald geen gebrek. De vraag is wel wat er gewonnen is met dit toch ietwat onoverzichtelijke evaluatielandschap. Een landelijke, of liever nog internationale standaard zou de voorkeur moeten hebben boven een lokale. Ook zou een wetenschappelijk gevalideerd meetinstrument te verkiezen zijn boven instrumenten die een dergelijke toets niet hebben doorstaan.
Het initiatief dat het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken is gestart om een wetenschappelijk gevalideerd instrument te ontwikkelen heeft internationaal de aandacht getrokken. Een literatuurinventarisatie heeft laten zien dat er op vijf gebieden outcomes zijn of althans verwacht worden: educatief, sociaal, cultureel, economisch en affectief. Hoewel al veel voorwerk is verricht, staan we pas aan het begin van het ontwikkelen en valideren van het instrumentarium dat deze vijf domeinen afdekt.9 Gevoed door een symposium met experts uit diverse landen, gaan de ideeën nu uit naar een combinatie van meetinstrumenten met een vaste kern en optionele modules die bibliotheken op lokaal niveau kunnen inzetten. Deze instrumenten geven, een beetje zoals in de SROI-benadering, directe feedback die de bibliotheken kunnen gebruiken om hun diensten direct te verbeteren. Het vergaren van lokale metingen moet het SIOB anderzijds de mogelijkheid geven om op landelijk niveau uitspraken te doen over de maatschappelijke waarde van het stelsel van openbare bibliotheken als geheel.

Functies, outcomes en voortbestaan

Het meten van bibliotheekprestaties staat zonder twijfel mijlenver af van de geest waarin de oprichters van de Openbare Bibliotheek Amsterdam in de jaren van de Eerste Wereldoorlog moesten ploeteren om aan de Keizersgracht eerst maar eens een openbare bibliotheek in het leven te roepen.10

Filiaalhoofden OBA in 1988; voorste rij 2e van rechts Wim de la Court

Filiaalhoofden OBA in 1988; voorste rij 2e van rechts Wim de la Court

In de hoogtijdagen onder Wim de la Court en het eerste decennium van Hans van Velzen was het benoemen van kernfuncties, achteraf gezien, het onder woorden brengen van een status quo waarvan men toentertijd vermoedde dat die onveranderd zou voortduren. Inmiddels weten we beter. Teruglopende landelijke uitleencijfers als gevolg van veranderende tijdsbestedingspatronen en de opkomst van wereldwijd web, sociale media en mobiele apparatuur maken dat de vraag zelfs wordt gesteld hoe toekomstbestendig de openbare bibliotheek eigenlijk is.11 Tegelijkertijd is er onder de bevolking een breed gedragen steun voor de openbare bibliotheek. Die steekt bijna altijd de kop op wanneer er ergens in wijk of dorp een vestiging op de nominatie staat om te verdwijnen. Ook in de landelijke politiek staat Kamerbreed het voortbestaan van de openbare bibliotheek eigenlijk niet ter discussie. De tegenstemmers in de Tweede Kamer waren niet tegen de bibliotheken maar tegen de in hun ogen ontoereikende wet.

Het is op het gemeentelijke niveau, daar waar de eindjes aan elkaar geknoopt moeten worden, dat college en raad de subsidie aan de bibliotheek moeten afwegen tegen die aan andere voorzieningen: zwembaden, sportvelden, theaters, wijkcentra, speeltuinen. Zonder aan het belang van die andere voorzieningen iets af te willen doen: het moge duidelijk zijn dat in een samenleving waarin het belang van informatie en bijgevolg de vaardigheid in het omgaan ermee nog altijd groeit, het belang van een openbare bibliotheek niet moet worden onderschat.
Het meetbaar maken van de maatschappelijke waarde van het openbaar bibliotheekwerk is een tweesnijdend zwaard. Het laat aan subsidiegevers en belastingbetalers zien wat zij voor het geïnvesteerde geld terug krijgen. En het laat aan de bibliotheekmedewerkers zien wat het belang van hun werk is, maar ook wat zij kunnen en moeten doen om de informatievoorziening, ontwikkeling en vorming, ontspanning en esthetische beleving van burgers op een (nog) hoger plan te brengen. Dat zal voor een belangrijk deel met nieuwe vormen van dienstverlening moeten geschieden. Denk aan een sterkere nadruk op digitale diensten, meer context bieden, sterkere participatie van de gebruikers – zomaar wat steekwoorden die in het rapport-Cohen te lezen zijn.12
Ook het meetinstrumentarium zal moeten meebewegen. Zoals het woordje ‘thans’ in het openingscitaat van De la Court subtiel onderstreepte: het is nooit helemaal af.

Noten

Bovenstaande tekst is een licht geactualiseerde versie van mijn gelijknamige essay dat is opgenomen (pp. 132-139) in de bundel Bibliotheek 7.7 (red. Inge van Asperen, Marian Koren, Rob Pronk en Evert Slot, 2014) voor Hans van Velzen, hem aangeboden bij zijn afscheid als directeur van de Openbare Bibliotheek Amsterdam op 7 juli 2014 in het Theater van het Woord, hoofdvestiging OBA op het Oosterdokseiland, Amsterdam. Actualiseringen hebben betrekking op het aannemen van de Wet Stelsel Openbare Bibliotheekvoorzieningen door de Tweede Kamer op 10 juni 2014, het publiceren van de ISO-standaard 16439 op de website van ISO, en het aannemen van de nieuwe certificeringsnorm in juni 2014.

  1. W. de la Court (1970). Openbare bibliotheken en cultuur. In W. de la Court, Th.P. Loosjes, G.A. van Riemsdijk en J. Stellingwerff (red.), Nederlandse Bibliotheekproblemen (pp. 45-60; citaat p. 49). Amsterdam: NVB/Buijten & Schipperheijn.
  2. R. Onverzaagt en P.H.J. Vrancken (Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven) (1989). Bibliotheekfuncties gemeten. Een analyse van vraag en aanbod van openbare bibliotheken. Den Haag: RABIN.
  3. Frank Huysmans (2006). ISO 2789 and ISO 11620: Short Presentation of Standards as Reference Documents in an Assessment Process. LIBER Quarterly, 17 (3/4).
  4. Roswitha Poll (2012). Can we quantify the library’s influence? Creating an ISO standard for impact assessment. Performance Measurement and Metrics, 13 (2), 121-130. (DOI 10.1108/14678041211241332); ISO (2014), Draft International Standard 16439: Methods and procedures for assessing the impact of libraries. Geneva: ISO.
  5. Susan Imholz & Jennifer Weil Arns (2007). Worth Their Weight. An Assessment of the Evolving Field of Library Valuation. New York: Americans for Libraries Council; Svanhild Aabo (2009). Libraries and Return on Investment: A Meta-Analysis. New Library World, 110 (7/8), 311-324 (DOI 10.1108/03074800910975142); Jennifer Weil Arns, Robert Williams & Karen Miller (2013). Valuing Public Libraries: Promises and Prospects. A Review of the Literature and Meta-Analysis (META). University of South Carolina: School of Library and Information Science.
  6. //www.bix-bibliotheksindex.de, laatstelijk geraadpleegd 10 juli 2014.
  7. //www.bibliotheekcertificaat.nl/upload/documenten/agendapunt-3.2-zichtbare-waarde-bijlage-1-.pdf, geraadpleegd 10 juli 2014.
  8. Frank Huysmans en Marjolein Oomes (2013). Measuring the public library’s societal value: A methodological research program. IFLA Journal, 39 (2), 168-177 (DOI 10.1177/0340035213486412); Pertti Vakkari, Svanhild Aabo, Ragnar Audunson, Frank Huysmans en Marjolein Oomes, Perceived outcomes of public libraries in Finland, Norway and the Netherlands, Journal of Documentation, 70 (5), 927-944.
  9. René Zwaap (1994). Een nobel bedrijf. Vijfenzeventig jaar Openbare Bibliotheek Amsterdam 1919-1994. Amsterdam: Openbare Bibliotheek Amsterdam.
  10. Frank Huysmans en Carlien Hillebrink (2008). De openbare bibliotheek tien jaar van nu. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  11. Job Cohen et al. (2014). Bibliotheek van de toekomst: Knooppunt voor kennis, contact en cultuur. Den Haag: Sectorinstituut Openbare Bibliotheken.
Creative Commons License
De maatschappelijke waarde van de openbare bibliotheek: Meten is zweten is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 10 juli 2014 | Posted in beleid, essay, onderzoek, vakpublicaties | Tagged , , , , , , | 1 reactie

Cultuurindex Nederland: voorzichtig met die cijfers

In het Concertgebouw in Amsterdam is op 9 december de Cultuurindex Nederland gepresenteerd. De index beoogt geregeld – de bedoeling is vooralsnog elke twee jaar, maar mogelijk ook tussentijds – de polsslag van het culturele veld weer te geven. De Amsterdamse Boekmanstichting, een door het Rijk gefinancierde instelling, heeft onderzoekers en zo’n beetje alle beschikbare trendcijfers bijeengebracht. Ze zijn handzaam samengevat in het boek De Staat van Cultuur, tevens nummer 97 van het tijdschrift Boekman. Het is mede uitgegeven door het Sociaal en Cultureel Planbureau dat veel cijfers en onderzoekscapaciteit leverde. De totstandkoming van de Cultuurindex werd overigens vrijwel geheel gefinancierd door particuliere fondsen: Prins Bernhard Cultuur Fonds, SNS Reaal Fonds en VSB-Fonds.

Pijlers

De cultuurindex is gebouwd op vier pijlers:

  • capaciteit, met als kernindicatoren organisaties, infrastructuur, en werkgelegenheid & opleiding
  • participatie, met als kernindicatoren bezoek, beoefening en consumptie cultuurgoederen
  • geldstromen, met als kernindicatoren inkomsten (excl. overheidsbijdragen), overheidsbijdragen en omzetten
  • concurrentiekracht, met als kernindicatoren concurrentie nationaal en concurrentie internationaal

Deze vier dimensies zijn voor de jaren 2005, 2007, 2009 en 2011 uitgerekend, wat leidt tot onderstaande figuur.

http://www.boekman.nl/sites/default/files/cin2013.pdf, 09-12-2013

http://www.boekman.nl/sites/default/files/cin2013.pdf, 09-12-2013

En daar begint meteen het grote betekenisgeven. Want de conclusie die zich uit de figuur opdringt is dat er sinds 2007 een kloof tussen capaciteit en de participatie aan het ontstaan is. Wijst dat niet op overcapaciteit? En hoe kan het dat de capaciteit na 2011 zo hard groeit, terwijl de geldstromen dalen? Moet er dan eigenlijk nog wel belastinggeld bij?
Terechte kritische vragen, die als sneeuw voor de zon verdwijnen als je in de onderliggende trendcijfers duikt. Het blijkt dan dat de sterke groei in capaciteit vooral wordt veroorzaakt door het onderdeel arbeidsmarkt. En de groei in die ‘arbeidsmarkt’ komt vooral op het conto van de sterk toegenomen aantallen vrijwilligers in respectievelijk de musea en de podiumkunsten.

Bedrieglijke eenvoud

De overheersende teneur in de reacties was ‘goed dat de index er is, maar laten we het cultuurbeleid er niet te sterk aan ophangen’. Verstandig, want zonder de context te kennen van wat er achter de cijfers schuilgaat, heeft de index betrekkelijk weinig waarde. Vanuit de zaal werd bijvoorbeeld opgemerkt dat achter de participatie-index nog maar bar weinig digitale consumptie schuilgaat.

Marielle Hendriks, Henk Vinken en Andries van den Broek (vlnr)

Marielle Hendriks, Henk Vinken en Andries van den Broek (vlnr)

De onderzoekers riposteerden die kritiek met een verwijzing naar het (nog) ontbreken van trendcijfers op dat terrein. Alles goed en wel, maar je moet dit wel weten wil je de index op waarde kunnen schatten.
Ook moet je je terdege bewust zijn van de willekeur van 2005 als beginjaar. Vaak blijkt dat trends over een zo korte termijn van zes jaar (2005-2011) ‘verdampen’ wanneer de trends naar iets verder terug in de tijd worden doorgetrokken. Bovendien ligt het eindjaar 2011 bij publicatie van de index al twee jaar terug in de tijd. Daar kunnen de onderzoekers uiteraard evenmin iets aan doen, aangewezen op onderzoek van anderen als ze zijn. Het weerhield een econoom van ABN Amro er niet van om de index alvast naar 2013 door te trekken. Waarbij zij aangetekend dat hij de fundamenten onder zijn schattingen niet blootgeeft (zoals Boekman en SCP wel voorbeeldig doen) en het stukje tekst, kennelijk in haast geproduceerd, door fouten wordt ontsierd. We moeten maar geloven dat de schattingen zelf geen fouten bevatten.

Zonder de context te kennen van wat er achter de cijfers schuilgaat, heeft de index betrekkelijk weinig waarde

Indexen hebben de charme van de eenvoud, maar die eenvoud kan zo bedrieglijk zijn dat het debat over de noodzaak van overheidssteun voor de culturele sector erdoor wordt gekaapt. Goed daarom dat de Boekmanstichting en SCP de indexcijfers hebben laten ‘contextualiseren’ door kenners die er beknopte interpretaties bij geven. We ontkomen er dus toch niet aan om het boekwerk goed door te nemen.

Maatschappelijke meerwaarde

Een ander punt van aandacht, benadrukt door econoom Arnoud Boot en minister Jet Bussemaker, is dat de cultuurindex nog maar weinig zegt over de maatschappelijke meerwaarde van cultuur. Wat draagt de cultuursector bij aan maatschappelijke doelen zoals educatie, sociale samenhang, economische groei en persoonlijke verrijking?

Minister Jet Bussemaker

Minister Jet Bussemaker

Het is een onderwerp dat de Boekmanstichting al in het vizier heeft, getuige een eerdere bijeenkomst die ze organiseerde.

Hier wreekt zich het gegeven dat zulke maatschappelijke bijdragen veel moeilijker meetbaar zijn (niet voor niets is er in de openbare bibliotheeksector een methodologisch onderzoeksproject aan gewijd). Zolang die gegevens er niet zijn, mag het cultuurdebat niet versmallen tot het wél meetbare deel, onderstreepte de minister voor de zekerheid nog maar eens. Waarna de toehoorders, gewaarschuwd en dus voor twee tellend, vanuit de toch al volle concertzaal naar de wandelgangen uitstroomden waar in de cultuursector capaciteit, participatie, geldstromen en concurrentie altijd samenkomen: de borrel.

Bewerkingsgeschiedenis:

  • 11-12-13: Kleine tekstuele wijzigingen en aanvullingen.
  • 11-12-13: Link naar tekst op site ABN Amro bleek dood; doorverwijzing verwijderd. Toegevoegd dat totstandkoming Cultuurindex door particuliere fondsen is gefinancierd (reactie Cas Smithuijsen).
Creative Commons License
Cultuurindex Nederland: voorzichtig met die cijfers is licensed under a Creative Commons Attribution 4.0 International License.

Posted by Frank Huysmans on 10 december 2013 | Posted in beleid, onderzoek, opinie, vakpublicaties, WareKennis | Tagged , , , , | 6 Comments

%d bloggers liken dit: